Regeling Verordening Wet Inburgering Schiermonnikoog 2010 e.v.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 18-06-2011
  • Terugwerkende kracht t/m 01-01-2010
  • Datum uitwerking-treding
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 15-06-2011
  • Bron bekendmaking Nieuwsbrief, 17 juni 2011
  • Kenmerk voorstel Onbekend

Inleiding

De raad van de gemeente Schiermonnikoog;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 juni 2011;

gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 19a, eerste lid, 23, derde lid, 24a, vijfde lid, 24f en 35 van de Wet inburgering en artikel 4.27, derde lid, van het Besluit inburgering;

B E S L U I T:

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening Wet Inburgering Schiermonnikoog 2010 e.v.

Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiermonnikoog;

  • b.

    de wet: de Wet inburgering;

  • c.

    inburgeraar: dit begrip omvat zowel inburgeringsplichtige- als vrijwillige inburgeraars;

  • d.

    voorziening: een (duale) inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening.

2.

De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze verordening worden gebruikt.

Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars

Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en de toegang tot de voorzieningen.

Hoofdstuk 2 Doelgroep en samenstelling van de inburgerings- of taalkennisvoorziening

Artikel 3 De doelgroep

Asielgerechtigde inburgeringsplichtigen en geestelijke bedienaren krijgen, verplicht conform de wet, van het college een inburgeringsaanbod. Het college wijst de inburgeringsbehoeftigen en vrijwillige inburgeraars aan als groep aan wie een voorziening aangeboden kan worden.

Artikel 4 De samenstelling van de voorziening

1.

De voorziening wordt samengesteld met inachtneming van de volgende doelstellingen:

a.

het behalen van het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II;

b.

het vergroten van arbeidsparticipatie; en/of

c.

het vergroten van maatschappelijke participatie.

2.

De taalkennisvoorziening wordt samengesteld met de doelstelling verwerving en versterking van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een beroepsopleiding.

3.

Het college stemt de voorziening, met uitzondering van de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de inburgeraar.

Artikel 5 De voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget

  • 1.

    Op verzoek, dit kan zowel schriftelijk als mondeling, van de inburgeraar kan het college de voorziening of de inburgeringscomponent van de gecombineerde voorziening bedoeld in de artikelen 20, eerste lid en 24b, eerste lid van de wet aanbieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget aan inburgeraars die:

    • a.

      onderdelen van het inburgeringsexamen al beheersen en met een individueel traject sneller kunnen opgaan voor het inburgeringsexamen of het staatsexamen, of sneller een taalkennisvoorziening kunnen afronden;

    • b.

      heel specifieke wensen hebben ten aanzien van hun inburgeringsvoorziening en niet passen binnen het reguliere aanbod.

  • 2.

    Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar voor het volgen van een (duaal) inburgeringsprogramma of taalvoorziening goed, indien dit programma:

    • -

      naar het oordeel van het college passend is om hem voor te bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II; en,

    • -

      wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de volgende vereisten:

      • a.

        ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;

      • b.

        in het bezit zijn van het Blik op Werk Keurmerk;

      • c.

        beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het gebied van het verzorgen van inburgeringssprogramma’s of taalvoorzieningen.

  • 3.

    Als het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget heeft vastgesteld, sluiten het college en de inburgeraar of eventueel een andere partij een overeenkomst met het inburgeringsbedrijf.

Artikel 6 De inning van de eigen bijdrage

  • 1.De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid en artikel 24e lid 1 van de wet wordt in ten hoogste twaalf termijnen betaald.

  • 2.Indien de inburgeraar algemene bijstand ontvangt, verrekent het college, de eigen bijdrage met de algemene bijstand.

  • 3.Het college legt in een beschikking of in een overeenkomst aangaande een voorziening de termijnen van betaling vast. Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt dat in de beschikking vastgelegd.

Artikel 7 Opleggen van verplichtingen

Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking of de vrijwillige inburgeraar bij overeenkomst één of meer van de volgende verplichtingen opleggen:

  • a.

    het deelnemen aan de voorziening;

  • b.

    het deelnemen aan voortgangsgesprekken;

  • c.

    voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip dat door het college wordt bepaald;

  • d.

    het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan worden voldaan.

Hoofdstuk 3 Het aanbod van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening

Artikel 8 De procedure van het doen van het aanbod

  • 1.

    Namens het college wordt het aanbod tijdens een persoonlijk gesprek met de consulent met inburgeringstaken schriftelijk aan de inburgeraar voorgelegd.

  • 2.

    De inburgeraar die het aanbod accepteert:

    • a.

      zet ter plaatse zijn handtekening onder het inburgeringsaanbod;

    • b.

      of reageert binnen vijf dagen en stuurt het vervolgens aan zijn consulent met inburgeringstaken (artikel 145 gemeentewet is hier van toepassing).

  • 3.

    Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het college uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van deze mededeling het besluit tot toekenning van de voorziening overeenkomstig het gedane aanbod.

  • 4.

    Wanneer de vrijwillige inburgeraar het aanbod aanvaardt, legt het college binnen acht weken na ontvangst van deze mededeling aan de vrijwillige inburgeraar, ter ondertekening, een overeenkomst voor, overeenkomstig het gedane aanbod.

  • 5.

    Het aanbod bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan nadat de identiteit van de inburgeraar is vastgesteld aan de hand van het document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 9 De inhoud van de beschikking

Het besluit tot vaststelling van de voorziening bevat in ieder geval:

  • a.

    een beschrijving van de voorziening;

  • b.

    een opgave van de rechten en verplichtingen van de inburgeringsplichtige;

  • c.

    de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;

  • d.

    de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage; en

  • e.

    ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van de wet, aanvangt.

Artikel 10 De inhoud van de overeenkomst

De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar, bedoeld in artikel 24d, tweede lid, van de wet bevat in ieder geval:

  • a.

    een beschrijving van de voorziening;

  • b.

    een opgave van de rechten en verplichtingen van de vrijwillige inburgeraar;

  • c.

    de datum waarop aan het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II moet zijn deelgenomen;

  • d.

    de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage.

Artikel 11 Ontheffing van de inburgeringsplicht

Het college kan op aanvraag een inburgeringsplichtige, op grond van artikel 6 en artikel 31, tweede lid onder c, van de wet in de volgende gevallen ontheffing verlenen van de vastgestelde inburgeringsplicht:

  • a.

    vanwege medische gronden: op basis van aantoonbare psychische of lichamelijke belemmeringen of een verstandelijke handicap. Ontheffing op medische gronden ontslaat de inburgeringsplichtige van (verdere) deelname aan een verplichte inburgeringsvoorziening en het inburgeringsexamen of een daarmee gelijkgesteld examen;

  • b.

    vanwege onvermogen: op basis van een tekort aan leervaardigheden of leervermogen.

    Ontheffing vanwege onvermogen wordt eerst verleend na aantoonbaar geleverde inspanningen om aan de inburgeringsplicht te voldoen en niet eerder dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende inburgeringstermijn.

  • c.

    Het college kan ook eerder op een aanvraag ontheffing verlenen, indien gelet op de door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen om te voldoen aan de inburgeringsplicht, het vasthouden aan zes maanden termijn onbillijk zou zijn.

  • d.

    Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen aan inburgeringsplichtigen die naar hun oordeel al voldoende zijn ingeburgerd, bedoeld in artikel 5 van de wet.

Hoofdstuk 4 De bestuurlijke boete

Artikel 12 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen

1.

De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,- indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet.

2.

De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,- indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, als bedoeld in artikel 7 van deze verordening.

3.

De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,- indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31 van de wet verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.

4.

De bestuurlijke boete bedraagt € 1000,- indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 32 en 33 van de wet verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.

Artikel 13 Terugvordering indien de vrijwillige inburgeraar de overeengekomen afspraken niet nakomt

Wanneer de vrijwillige inburgeraar geen of onvoldoende medewerking verleent aan de verplichtingen zoals omschreven in de overeenkomst tussen de vrijwillige inburgeraar en de gemeente zal ten hoogste een bedrag van € 250,00 worden teruggevorderd. Dit artikel sluit aan op artikel 7 van de re-integratieverordening.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 14 Beleidsregels

Het college kan ter uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen.

Artikel 15 Hardheidsclausule

1.

In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

2.

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening indien strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 16 Inwerkingtreding

1.

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na publicatie en werkt terug tot 1 januari 2010 met uitzondering van artikel 13.

2.

De verordening Wet inburgering, vastgesteld bij besluit van 15 mei 2007 wordt ingetrokken.

Artikel 17 Citeertitel

De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering gemeente Schiermonnikoog 2010 e.v.

Algemene toelichting

De Wet inburgering (Wi) is op 1 januari 2007 in werking getreden en is in de plaats van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) en de verschillende oudkomersregelingen gekomen.

De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle onderdanen van derdelanden van 18 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen verblijven. Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij zich wil voorbereiden op het inburgeringsexamen. Aan de inburgerings-verplichting is voldaan wanneer het inburgeringsdiploma is behaald (een resultaatsverplichting).

Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo hebben de gemeenten de opdracht om:

  • ·

    de inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars in de gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet; (artikel 19, vijfde lid, artikel 23, derde lid en artikel 24a tot en met 24f, Wi;

  • ·

    aan bepaalde groepen inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt inburgeringsplichtigen toe naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal. In plaats van een inburgeringsvoorziening mogen gemeenten aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars die een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen of gaan volgen een taalkennisvoorziening aanbieden. In de verordening wordt gesproken over ‘voorziening’, hieronder worden zowel de inburgeringsvoorziening als de taalkennisvoorziening begrepen.

  • ·

    Handhaven van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen. Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringsplichtige zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden. Het ligt voor de hand dat het college ook toezicht houdt of de overeenkomst door de vrijwillige inburgeraar wordt nagekomen en indien dat niet het geval is zonodig maatregelen neemt.

Op 18 december 2009 is een wijziging van de Wet inburgering (WI) gepubliceerd. Naar aanleiding van deze wijziging dient de Verordening Wet inburgering gemeente Dantumadeel/Schiermonnikoog (2007) op verschillende punten te worden aangepast.

Het gaat om de volgende wijzigingen:

  • ·

    De vrijwillige inburgering wordt in de wet geregeld (inwerkingtreding 1 januari 2010).

  • ·

    Facultatief: de gemeenten kunnen zelf bepalen of zij een inburgeraar een aanbod doen of dat zij een voorziening direct vaststellen zonder eerst een aanbod te doen (artikel 23, eerste lid, WI).

  • ·

    Voorstel: het aanbodstelsel blijven handhaven.

  • ·

    Met het wetsvoorstel (nr. 31 318 september 2008) is de WI aangevuld met de mogelijkheid om ten behoeve van de inburgeraar die een mbo-opleiding volgt een taalkennisvoorziening aan te bieden. Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een beroepsopleiding. Omdat de taalkennisvoorziening iets anders is dan een regulier aanbod dient deze apart in de verordening te worden genoemd.

  • ·

    De mogelijkheid om op verzoek van de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan te bieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget is in de wet opgenomen, artikel 19, tweede lid en artikel 24a, tweede lid WI (inwerkingtreding 1 januari 2010;

  • ·

    Facultatief: de mogelijkheid voor gemeenten om zelf te bepalen of (bepaalde groepen) vrijwillige inburgeraars een eigen bijdrage moeten betalen, (artikel 24e Wi). (inwerkingtreding 1 januari 2010)

  • ·

    voorstel: ook aan de vrijwillige inburgeraar de verplichting van de eigen bijdrage op leggen

  • ·

    De twee handhavingstermijnen die in de wet zijn opgenomen worden geharmoniseerd. Voor alle inburgeringsplichtigen geldt dezelfde termijn waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald. Deze termijn is drieënhalf jaar. (inwerkingtreding 19 december 2009).

  • ·

    De eenmalige verlenging van de handhavingstermijn met ten hoogste tweeënhalf jaar voor inburgeringsplichtigen die een alfabetiseringcursus volgen of hebben gevolgd. (inwerkingtreding 19 december 2009)

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars

De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de informatievoorziening wordt georganiseerd. Wel bepalen de artikelen 8 WI en 24f WI dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan respectievelijk inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet. Ten aanzien van inburgeringsplichtigen dienen ook regels te worden vastgesteld ter zake van het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen.

Inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars worden in ieder geval middels het telefonisch spreekuur (mondeling) geïnformeerd over de rechten en plichten verbonden aan de Wet inburgering en via de website van de gemeente.

Artikel 3 De doelgroep

Het college kan aan alle inburgeringsplichtigen een aanbod doen voor een voorziening (art. 19, eerste lid Wi). Het college is echter verplicht een voorziening aan te bieden aan asielgerechtigden en geestelijke bedienaren. Met ingang van 1 januari 2010 is de bevoegdheid van het college om ook vrijwillige inburgeraars een voorziening aan te kunnen bieden opgenomen in de Wet (Wi). Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst bij voorrang een voorziening krijgen aangeboden. Om te voorkomen dat inburgeraars, die behoren tot de aangewezen doelgroepen (specifiek de vrijwillige inburgeraars), een recht gaan ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit artikel dat het college aan de groepen die hij aanwijst een voorziening kan aanbieden.

Artikel 4 De samenstelling van de voorziening

In dit artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft voor iedere inburgeraar die in aanmerking komt een op de persoon toegesneden inburgerings- of taalkennisvoorziening samen te stellen ( artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, en artikel 24a WI). Bij het bepalen van de passendheid van een voorziening, kunnen de volgende factoren een rol spelen:

  • ·

    de kennis van de inburgeraar van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit;

  • ·

    de maatschappelijke rol die de inburgeraar vervult of gaat vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan het verrichten van betaalde arbeid, het opvoeden van kinderen, maatschappelijke participatie of ondernemerschap;

  • ·

    de persoonlijke situatie van de inburgeraar. Daarbij kan eventueel worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de inburgeraar vervult;

  • ·

    in geval de uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar die een re-integratie-/participatievoorziening, gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren om de inburgeringsvoorziening daarmee te combineren; Uitgangspunt is wel dat dit aanbod de arbeidsinschakeling niet mag belemmeren;

  • ·

    de WI bepaalt dat de voorziening gecombineerd moet worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (re-integratievoorziening) als een inburgeringvoorziening wordt aangeboden aan een inburgeraar die bijstandsgerechtigd is of een uitkering op grond van een andere sociale zekerheidswet of sociale regeling én die verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde voorziening.

  • ·

    Aangezien de re-integratievoorziening in het kader van de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of –regelingen ook door andere partijen dan het college wordt verstrekt, zal het college afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de socialezekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers (artikel 21 WI).

De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven (artikel 20, tweede lid, WI).

In de wet is geregeld, waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan:

  • ·

    een cursus die leidt naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II of en het kosteloos afleggen van het eerste examen ( artikel 19, derde lid en artikel 24a WI;

  • ·

    voor een asielgerechtigde inburgeringsplichtige (oud- en nieuwkomers) maakt ook maatschappelijke begeleiding onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening (artikel19, zesde lid, WI);

  • ·

    trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zijn vooral van belang bij inburgeringsplichtigen die geen voorziening krijgen aangeboden in combinatie met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij een voorziening gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten al een vast onderdeel.

Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het succesvol kunnen afronden van een beroepsopleiding op MBO 1 of MBO 2 niveau.

Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal) vaardigheden worden getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de voorziening ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze vaardigheden. Daarbij zal de inzet van duale trajecten een belangrijke rol vervullen.

Artikel 5 De voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget

Op grond van artikel 19, tweede lid, in combinatie met artikel 19a, tweede lid, WI kan het college de voorziening vaststellen in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget als de inburgeringsplichtige daarom verzoekt. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 WI moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen over de procedure die door het college wordt gevolgd bij het behandelen van verzoeken om een persoonlijk inburgeringsbudget en de criteria die worden gehanteerd bij het toekennen van een persoonlijk inburgeringsbudget.

In het eerste lid legt de gemeente vast op welke wijze verzoeken van inburgeringsplichtigen om toekenning van een persoonlijk inburgeringsbudget worden behandeld. In de verordening kunnen de volgende onderwerpen worden geregeld:

  • ·

    De wijze waarop het verzoek moet worden ingediend: schriftelijk of ook mondeling.

  • ·

    De wijze van begeleiding door de gemeente van de inburgeringsplichtige bij vormgeving van zijn inburgering en de keuze van een inburgeringsbedrijf. Op grond van artikel 4.27, eerste lid, Besluit inburgering moet het college deze taak op zich nemen.

  • ·

    De termijn die de inburgeringsplichtige krijgt om op zoek te gaan naar een inburgeringsbedrijf dat past bij zijn voorkeur en ambities.

Op grond van artikel 4.27, tweede lid, Besluit inburgering moet het college het voorstel van de inburgeringsplichtige voor het volgen van een inburgeringsprogramma of taalkennisvoorziening goedkeuren. Dit voorstel zal in de praktijk worden opgesteld door het inburgeringsbedrijf. Het tweede en derde lid van dit artikel leggen de twee criteria vast aan de hand waarvan het college het voorstel voor het volgen van respectievelijk een inburgeringsprogramma en een taalkennisvoorziening goedkeurt. De eerste eis is dat het inburgeringsprogramma naar het oordeel van het college passend is om de inburgeringsplichtige voor te bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II. De taalkennisvoorziening dient gericht te zijn op de verwerving van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een beroepsopleiding (MBO 1 en 2).

Het tweede vereiste is dat het inburgeringsprogramma of de taalkennisvoorziening wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de eis of de eisen die de verordening aan inburgeringsbedrijven stelt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een of meer van de volgende voorwaarden:

  • ·

    ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;

  • ·

    beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie;

  • ·

    beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s of taalkennisvoorzieningen.

Artikel 4.27, derde lid, Besluit inburgering bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening bepaalt wie met het inburgeringsbedrijf een overeenkomst met betrekking tot de inburgering van de inburgeringsplichtige sluit. Dit kan de inburgeringsplichtige zijn, het college,het college en de inburgeringsplichtige, een andere partij of een combinatie van de hiervoor genoemde partijen gezamenlijk. In het derde lid van dit artikel wordt dit geregeld, waarbij de raad zelf een keuze zal moeten maken. Het kan van belang zijn de partijen in de verordening niet te eng te definiëren. Dat kan bijvoorbeeld van belang zijn, indien de gemeente samen met werkgevers inburgering op de werkvloer organiseert of wil gaan organiseren.

Artikel 6 De inning van de eigen bijdrage

In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270,-. Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23, tweede lid, WI).

In dit artikel is tevens vastgelegd dat de vrijwillige inburgeraar, met wie na 1 januari 2010 voor het eerst een inburgeringsovereenkomst afgesloten is, ook de eigen bijdrage verschuldigd is. Met deze bepaling wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid in artikel 24e, eerste lid, WI.

In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal termijnen te betalen. Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij inburgeringsplichtigen die algemene bijstand ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering. Als het college wil overgaan tot verrekening, moet dat worden vastgelegd in de beschikking tot vaststelling van de voorziening.

Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het college het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet in deze verordening geregeld.

Ook voor de vrijwillige inburgeraar geldt de verplichting van de eigen bijdrage en het recht om deze in termijnen te betalen, hoewel de gemeente bij deze groep beleidsvrijheid heeft om dit al dan niet als een verplichting op te leggen. Voorstel is om de eigen bijdrage wel als een verplichting op te leggen voor de vrijwillige inburgeraar, om hiermee de eigen verantwoordelijkheid te benadrukken. Alleen wanneer een vrijwillige inburgeraar op last van het college, dan wel een andere uitkeringsinstantie (artikel 21, tweede lid van de WI) zoals het UWV, een gecombineerde voorziening (artikel 24b, eerste lid WI), dient te volgen, is geen eigen bijdrage verschuldigd.

Artikel 7 Opleggen van verplichtingen

Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld. Diezelfde verplichtingen kunnen in de overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar worden opgenomen.

Artikel 8 De procedure van het doen van het aanbod

Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening.

In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van een voorziening aan de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan over het feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan.

In lid 2 wordt in sub b een termijn van vijf dagen genoemd waarbinnen de inburgeraar dient te reageren op het aanbod. Artikel 145 van de gemeentewet zegt dat; op termijnen gesteld in een gemeentelijke verordening de Algemene Termijnenwet (artikel 1-4) van toepassing is tenzij de verordening anders bepaald. Hierin staat omschreven hoe om te gaan met termijnen waar sprake is van zon- en feestdagen binnen de genoemde termijn. Bijvoorbeeld wanneer er twee feestdagen of een weekend binnen de termijn van 5 dagen zit, dan dient de termijn met 2 dagen te worden verlengd.

Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking tot het vaststellen van de voorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde lid). Voor de vrijwillige inburgeraar geldt dat het aanbod overeen dient te komen met de overeenkomst ( het vijfde lid).

De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld.

Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt dat hij wel een voorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod moeten aanpassen.

Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er geen termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het inburgeringsexamen moet hebben behaald. Het ligt voor de hand dat het college in een dergelijke situatie een handhavingsbeschikking neemt: een besluit op grond van artikel 26 WI waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moeten hebben behaald (vijf jaar na aanvang van deze termijn). Het verdient de aanbeveling dat het college deze handelwijze vastlegt in beleidsregels, zodat tevoren voor betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod voor een voorziening.

Artikel 9 De inhoud van de beschikking

Het besluit tot het vaststellen van een voorziening is een beschikking. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd.

In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de voorziening (artikel 23, eerste lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt.

De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet hebben behaald, ligt vast in de wet. Deze termijn is drieënhalf jaar (artikel 7, eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt (onderdeel c).

Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 6 van de verordening.

Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor inburgeringsplichtige oudkomers. Indien het college een voorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen drieënhalf jaar ná deze datum moet de betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de voorziening van start gaat). De precieze datum waarop de voorziening van start gaat, zal niet altijd bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het vaststellen van een datum van aanvang van handhaving van de inburgeringsplicht, onafhankelijk van het moment waarop met de voorziening kan worden begonnen bij het uitgangspunt van de wet dat de betreffende persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf verantwoordelijk is voor voldoen aan de inburgeringsplicht.

Artikel 10 De inhoud van de overeenkomst

De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar over het toekennen van een voorziening zal dezelfde onderwerpen bevatten als de beschikking tot het vaststellen van een voorziening voor inburgeringsplichtigen.

Artikel 11 Ontheffing van de inburgeringsplicht

Het college neemt het besluit tot ontheffing op grond van een daartoe door de inburgeringsplichtige ingediend verzoek en een door de inburgeringsconsulent opgesteld rapport. Het college deelt het besluit tot ontheffing in een beschikking aan betrokkene mee. Inburgeringsplichtigen kunnen door het college worden ontheven van de inburgeringsplicht indien:

  • ·

    zij vanwege lichamelijke en/of psychische gronden of een verstandelijke handicap blijvend niet in staat zijn het inburgeringsexamen te behalen (artikel 6 WI);

  • ·

    het voor hen op grond van aantoonbare inspanningen redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.

Bij de beoordeling van de vraag of betrokkene redelijkerwijs niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen, kan bijvoorbeeld worden betrokken:

  • ·

    of betrokkene ten minste één maal het inburgeringsexamen heeft afgelegd en daarmee zulke slechte resultaten heeft bereikt die aanleiding geven om te veronderstellen dat hij blijvend niet in staat zal zijn het inburgeringsexamen te behalen.

  • ·

    En/of betrokkene een verklaring heeft overgelegd van een instelling of deskundige, waarin aangegeven wordt dat hij het leervermogen ontbeert om het inburgeringsexamen te behalen kan hierop duiden.

Deze ontheffing kan niet eerder dan een halfjaar voor afloop van de termijn worden gegeven (artikel 31, tweede lid, onderdeel c WI).

Ambtshalve ontheffen

In bijzondere gevallen kan het college ambtshalve beslissen tot ontheffing.

In de toelichting bij het Besluit inburgering is vermeld dat bij ambtshalve ontheffing gedacht kan worden aan de situatie waarin de termijn waarbinnen het inburgeringsexamen alsnog moet zijn behaald, reeds meerdere malen is verlengd en de inburgeringsplichtige ondanks allerlei inspanningen er om hem niet verwijtbare redenen niet in is geslaagd het inburgeringsexamen te behalen. Ook deze ambtshalve beslissing kan niet eerder worden genomen dan een half jaar voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn.

Bij uitzondering kan het college eerder op een aanvraag ontheffing verlenen. Wanneer blijkt dat er sprake is van aantoonbaar geleverde inspanningen om te voldoen aan de inburgeringsplicht, maar het vasthouden van de zes maanden termijn onbillijk zou zijn.

Het college kan op aanvraag ook ontheffing verlenen aan de inburgeringsplichtige die door middel van scholing en/of opleiding al voldoende is ingeburgerd.

De inburgeringsplichtige kan bezwaar en beroep instellen tegen een beschikking waarin het college een ontheffing van de inburgeringsplicht verleend.

De door het college verleende ontheffing geldt alleen in het kader van de Wet inburgering, en dus niet in het kader van naturalisatie.

Artikel 12 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen

Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen vaststellen.

De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige.

In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie- en inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval géén bestuurlijke boete kan opleggen.

Artikel 13 Terugvordering indien de vrijwillige inburgeraar de overeengekomen afspraken niet nakomt

Aan een inburgerings- of taalkennisvoorziening zijn kosten verbonden. De gemeente neemt deze kosten voor haar rekening. Vrijwillige inburgeraars hebben geen plicht om deel te nemen aan het inburgeringsexamen en kunnen tijdens het traject uitvallen zonder dat een (deel van) de gemaakte kosten door het opleggen van een bestuurlijke boete is te verhalen. Met vastleggen in de overeenkomst van een negatieve prikkel, kan worden voorkomen dat vrijwillige inburgeraars te vrijblijvend of ondoordacht aan een traject beginnen.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 15 Citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.