Regeling Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2019

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 27-11-2018
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding 01-01-2020
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 06-11-2018
  • Bron bekendmaking gmb-2018-251757
  • Kenmerk voorstel Onbekend.

Inleiding

De raad van de gemeente Schiermonnikoog;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23 oktober 2018;

gelet op de artikelen 2016, 219 van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer;

b e s l u i t :

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2019

ARTIKEL 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a. perceel:

1. hetgeen in artikel 16 Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt

aangemerkt;

2. een roerende zaak:

3. een gedeelte van een roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk

geheel te worden gebruikt;

4. een samenstel van twee of meer roerende zaken of in onderdeel 3 bedoelde gedeelten

daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden

beoordeeld, bij elkaar behoren.

b. belastingjaar: een kalenderjaar.

c. BAG-verblijfsobject: de kleinste binnen één of meerdere panden gelegen en voor woon-, en/of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte en die onderwerp kan zijn van goedenrechtelijke rechtshandelingen.

ARTIKEL 2 Aard van de belasting

Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer (Stb.1994,80);

ARTIKEL 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van het perceel;

b. ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte ten gebruike heeft afgestaan.

ARTIKEL 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief

1. De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar:

a. indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar

of, indien de belastingplicht aanvangt in de loop van

het belastingjaar bij aanvang van de belastingplicht,

wordt gebruikt door twee of meer personen € 359,40

b. indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar

of, indien de belastingplicht aanvangt in de loop van

het belastingjaar bij aanvang van de belastingplicht,

wordt gebruikt door een alleenwonende en gedurende

het belastingjaar niet aan derden wordt verhuurd € 275,76

c. indien in de onder de leden a. en b. genoemde

percelen meerdere BAG-verblijfsobjecten aanwezig zijn,

wordt voor iedere tweede of elk volgende BAG-verblijfsobject

in dat perceel aanwezig, de belasting genoemd in de leden a en b

verhoogd. De verhoging bedraagt per tweede en elk volgende

aanwezige verblijfsobject € 359,40

ARTIKEL 5 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

ARTIKEL 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblij¬ven.

3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.

ARTIKEL 7 Termijnen van betaling

1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnbedragen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, de tweede twee maanden later.

2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingplichtige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnbedragen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnbedragen telkens een maand later.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat, € 50,00 of minder bedraagt, dat de aanslag moet worden betaald in één termijn en wel één maand na dagtekening van het aanslagbiljet.

4. In afwijking van het eerste lid, is de belastingschuld direct invorderbaar, indien de belastingschuldige niet binnen de gestelde termijnen betaalt.

5. In afwijking van het tweede lid, is de belastingschuld direct invorderbaar, indien de verschuldigde bedragen niet kunnen worden afgeschreven.

6. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete zijn de leden 1, 2, 3, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

7. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

ARTIKEL 8 Kwijtschelding

Bij de invordering van de afvalstoffenheffing wordt kwijtschelding verleend.

ARTIKEL 9 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing.

ARTIKEL 10 Inwerkingtreding, datum ingang heffing en citeertitel

1. De "Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffen¬heffing 2018" van 7 november 2017, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekend¬making.

3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

4. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening afvalstoffenheffing 2019.