Regeling Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding01-01-2004
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding
  • BetreftOnbekend
  • Datum ondertekening24-02-2004
  • Bron bekendmakingDorpsbode, 2007, 7
  • Kenmerk voorstelOnbekend

Inleiding

De Raad van de gemeente Schiermonnikoog,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog d.d. 15 januari 2004.

gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en bijstand,

overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;

besluit vast te stellen de volgende:

Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1

1.

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht

2.

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    de wet: de Wet werk en bijstand;

  • b.

    gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de wet.

Artikel 2

1.

De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn.

2.

De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel 18, eerste lid, van de wet onverlet.

Hoofdstuk 2 Criteria voor verhogen van de bijstandsnorm

Artikel 3 - Toeslagen

  • 1.

    De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

  • 2.

    De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag.

  • 3.

    De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor een alleenstaande en de alleenstaande ouder die een gezamenlijke huishouding voert met een of meerdere niet ten laste komend(e) kind(eren) met een inkomen op grond van de Wet op de studiefinanciering, een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, of jonger is dan 21 jaar, en in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag.

  • 4.

    De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede, derde en vierde lid niet van toepassing is, 10% van de gehuwdennorm.

HOOFDSTUK 3. Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag

Artikel 4 – Verlaging gehuwden

1.

De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien gehuwden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar, lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander niet zijnde:

  • -

    niet ten laste komend(e) kind(eren) met een inkomen op grond van de Wet op de studiefinanciering, een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, of jonger dan 21 jaar.

2.

De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de gehuwdennorm.

Artikel 5 – Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar

1.

De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt:

  • a.

    20 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 21 jaar betreft;

  • b.

    10 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 22 jaar betreft.

2.

In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid 1 zou leiden.

HOOFDSTUK 4. Slotbepalingen

Artikel 6 – Overgangsbepalingen

1.

De alleenstaande of de alleenstaande ouder die op 31 december 2003 een gezamenlijke huishouding voert met een of meerdere niet ten laste komend(e) kind(eren), jonger dan 22 jaar behoudt het recht op de op grond van de Bijstandsverordening vastgestelde toeslag tot het moment waarop het kind (de kinderen) de leeftijd van 22 jaar bereikt (bereiken).

2.

De jongere van 21 of 22 jaar die op 31 december 2003 een uitkering ontvangt ingevolge de Algemene bijstandswet behoudt het recht op de op grond van de Bijstandsverordening vastgestelde toeslag tot: de eerste van de maand volgende op de maand waarin de toeslag op grond van wijziging van de leeftijd opnieuw dient te worden vastgesteld.

Artikel 7 - Uitvoering

De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 8 - Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004.

Artikel 9 – Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

  • 2.

    De Bijstandsverordening vastgesteld in de vergadering van 22 november 2001 vervalt per 1 januari 2004.

Aldus vastgesteld in openbare raadsvergadering van 24 februari 2004.

, voorzitter (mr. H. Sybesma)

, griffier (S.T. van der zwaag)

TOELICHTING

1. Algemeen

Met ingang van 1 januari 1996 trad de Algemene bijstandswet (Abw) in werking.

In deze Algemene bijstandswet werd de basisnorm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders verlaagd met 20%. In verband hiermee werden in de wet bepalingen opgenomen voor de verhoging van de bijstandsnorm (met een toeslag) voor alleenstaanden of alleenstaande ouders “voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander”.

De basisnorm voor gehuwden bleef gehandhaafd op 100% van het wettelijk minimumloon. In verband hiermee werden in de wet bepalingen opgenomen voor de verlaging van de bijstandsnorm voor gehuwden “voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander”.

De Algemene bijstandswet bepaalde voorts dat het gemeentebestuur bij verordening moest vaststellen voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de verhoging of verlaging wordt bepaald.

Met ingang van 1 januari 2004 wordt de Algemene bijstandswet vervangen door de Wet Werk en Bijstand (WWB).

In de nieuwe Wet Werk en Bijstand zijn eveneens bepalingen opgenomen met betrekking tot de verhoging of de verlaging van de bijstandsnorm “wegens het niet of niet geheel kunnen delen van de kosten met een ander”. De bepalingen in de WWB komen inhoudelijk exact overeen met de bepalingen in de Abw. Ook is weer vastgelegd dat de regels voor het verhogen of verlagen van de norm bij verordening moeten worden vastgelegd (door de gemeenteraad).

De op grond van de Wet Werk en Bijstand vast te stellen verordening voor de verhoging of verlaging van de algemene bijstand stemt voor een deel overeen met de verordening welke werd vastgesteld op grond van de Algemene bijstandswet.

De aan de verordening ten grondslag liggende wettelijke bepalingen zijn immers inhoudelijk niet gewijzigd. Wel heeft er afstemming plaats gevonden tussen de gemeenten Dantumadeel en Schiermonnikoog hetgeen voor beiden heeft geleid tot enige wijzigingen.

De belangrijkste voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de vorige verordening zijn:

  • 1.

    De begrippen worden niet meer apart gedefinieerd maar verwezen wordt naar de WWB waarin de begrippen reeds zijn gedefinieerd. Voordeel hiervan is dat bij wijziging van betreffende definities in de WWB en Awb de verordening niet behoeft te worden gewijzigd.

  • 2.

    Uit de verordening verdwijnt de bepaling over de hulpbehoevende die de woning deelt waarvoor onder bepaalde voorwaarden geen korting gold. Hier is voor gekozen omdat het zeer sporadisch is voorgekomen en het toch wel bewerkelijk is gezien de voorwaarden die er aan gesteld werden. Daarbij komt dat degene die het betreft meestal ook een inkomen heeft, dan wel degene waar hij/zij bij inwoont. Ook heeft het college op grond van artikel 18 lid 1 WWB nog altijd de mogelijkheid om in individuele gevallen de uitkering af te stemmen.

  • 3.

    Gezien de hoogte van het minimumjeugdloon wordt voorgesteld om de toeslag van 21-jarigen met 20% te verlagen en van 22-jarigen met 10%. Gezien de hoogte van het minimumjeugdloon zou het niet verlagen van de toeslag ertoe kunnen leiden dat de hoogte van de dan toe te kennen uitkering een drempel vormt om toe te treden tot de arbeidsmarkt. Het minimumjeugdloon van een 21-jarige is lager dan dat voor een 22-jarige, derhalve is er voor gekozen om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen.

2. Norm, toeslag en verlaging

Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een

systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen.

Dit systeem is grotendeels overgenomen uit de Abw. In de WWB maakt het voor de financiering door het Rijk echter geen verschil of bijstand is toegekend als norm of als toeslag.

De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met 24 WWB.

Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de artikelen 25 tot en met 29 WWB.

Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden.

Norm

Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen (artikel 21 WWB),

te weten:

  • ·

    gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)

  • ·

    alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm

  • ·

    alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm

Toeslagen

Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar ook krant etc. gedeeld worden.

De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering maximaal

bedraagt voor:

  • ·

    alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm

  • ·

    alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm

De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening. Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en 53.)

Verlagingen

De WWB noemt de volgende verlagingen:

  • ·

    verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 26 WWB);

  • ·

    verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);

  • ·

    verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie (artikel 28 WWB);

  • ·

    verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij alleenstaanden (artikel 29 WWB).

De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 en 5 van de verordening.

3. De Toeslagenverordening

In artikel 8 lid 1 onder c juncto artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.

Het door het college voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus door de gemeenteraad in de Toeslagenverordening worden vastgelegd, opdat het college het beleid kan uitvoeren.

categorieën

Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is enerzijds getracht te komen tot in de praktijk redelijk eenvoudig te hanteren criteria en anderzijds rekening te houden met de werkelijke kosten van belanghebbende.

Daarom is er gekozen voor een forfaitaire benadering bij het afbakenen van de categorieën.

In de Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan de verlagingen in verband met het kunnen delen van kosten bij gehuwden en verlaging voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar.

Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen.

Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de verordening beperkt tot belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB de mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden, ligt het voor de hand dat het college eveneens op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand aanpast (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van de Toeslagenverordening).

4.Berekening toepasselijke bijstandsnorm

In de WWB is -in tegenstelling tot in de Abw- niet voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van het vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur van de WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Voor de toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit. Omdat noch uit de wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder gewicht te geven, blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag de aangewezen volgorde.

Bovenstaande in acht nemend kan de hoogte van de uitkering algemene bijstand voor personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden berekend:

  • 1.

    Basisnorm;

  • 2a.

    Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders)

OF

  • 2b.

    Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen bij gehuwden)

  • 3.

    Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op de toeslag.

De uitkomst van deze berekening laat ook een eventueel aan de orde zijnde afstemming van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of Awb niet afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de Verordening moet worden gewijzigd.

Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c WWB. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.

Artikel 2

Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27 en 28 WWB ook categoriale verlagingen mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar, moet dit niet opportuun geacht worden. De normen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld, vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van belanghebbenden. Betreffende ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware 'dubbel gekort' worden als hierdoor ook nog krachtens de Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de toepassing van de categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken.

Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen.

De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om -zo nodig in afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de bijstand- de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 30 lid 4 WWB.

De individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin de Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te nemen.

Artikel 3

Lid 1

Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. In de toelichtende stukken op het wetsvoorstel Abw is hierover vermeld, dat voor het bepalen van de hoogte van de toeslag alle extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking worden genomen, die de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert.

“Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin) maar ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben omdat zij alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden geconfronteerd kan met name gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan vaste lasten, zoals abonnementen, kijk- en luistergeld en diverse andere kosten. De toeslag dient zodanig te zijn dat de betrokkene daaruit op dezelfde wijze zijn algemene bestaanskosten kan voldoen als thans het geval is met de volledig landelijk genormeerde algemene bijstand. Bij de beoordeling of betrokkene inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een ander deelt, maar of het –gegeven de omstandigheden- redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de situatie dat een hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een ongewenste gebruikersruimte [van bijstandsmiddelen, red] ontstaan als de hoogte van de toeslag ervan afhankelijk is of de medebewoner, hoewel deze daartoe financieel in staat is, ook feitelijk een bijdrage levert in de woonkosten [….] Hiertoe wordt gesproken van het ‘kunnen delen’ van de kosten. Met deze omschrijving beoogt het kabinet uitdrukkelijk niet aan te geven dat van de betrokkene kan worden gevergd dat deze bijvoorbeeld zijn woonsituatie aanpast om zo met een lagere bijstandsuitkering te kunnen volstaan.”

Zoals hiervoor aangegeven, bepaalt de mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld, de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en maximaal 20% van het netto minimumloon. Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken, dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene inlichtingenverplichting die op de aanvrager rust, geldt ook voor het toeslagendeel. Aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van gegevens het recht moeten aantonen.

lid 2:

Artikel 30, tweede lid WWB schrijft voor, dat de toeslag onverminderd het bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in artikel 25, tweede lid, van de WWB. De maximale toeslag komt neer op 20% van het netto minimumloon. In deze verordening wordt volstaan met een verwijzing naar het bedrag zoals dat in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt regelmatig -veelal (half)jaarlijks- bijgesteld.

De artikelen 27, 28 en 29 WWB geven de gemeente de bevoegdheid om voor bepaalde categorieën de bijstandsnorm of de toeslag lager vast te stellen. Dit betekent dat indien aanvrager voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 3, tweede lid van de verordening, het toch kan zijn dat er geen recht op een toeslag bestaat van 20% van het netto minimumloon, indien de gemeente daarnaast tevens gebruik maakt van de mogelijkheid om de bijstandsnorm of de toeslag te verlagen.

lid 3:

Geen verlaging van de toeslag vindt plaats indien het niet ten laste komend inwonend kind:

  • -

    Een inkomen ontvangt op grond van de Wet studiefinanciering (WSF 2000) dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) of

  • -

    jonger is dan 21 jaar.

lid 4:

Indien de alleenstaande (ouder) de woning bewoont met een niet ten laste komend kind van 21 jaar of ouder en met een inkomen anders dan op grond van de WSF 2000 en/of WTOS, dan bedraagt de toeslag 10%.

Artikel 4

In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, dan kunnen de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden, niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf.

Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht het aantal anderen dat in de woning het hoofdverblijf heeft. Geen verlaging van de toeslag vindt plaats, indien de kosten uitsluitend worden gedeeld met een niet ten laste komend inwonend kind jonger dan 21 jaar of een niet ten laste komend kind met een inkomen op grond van de Wet studiefinanciering (WSF 2000) dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS).

Artikel 5

Gezien de hoogte van het minimum jeugdloon, zou er naar de mening van het college een drempel kunnen ontstaan om werk te aanvaarden indien er geen verlaging van de toeslag zou plaats vinden op de uitkering van alleenstaanden van 21 en 22 jaar. Art 29 WWB geeft de bevoegdheid om in dit geval een verlaging toe te passen.

Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. De korting van een 21-jarige bedraagt dan ook 20% en voor een 22–jarige 10%.

In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 WWB- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de toeslag van artikel 25 WWB.

De uitkeringen voor de 21 en 22-jarige worden als volgt berekend:

Regeling informatie

alleenstaande 21

alleenstaande 22 jaar

woningdeler

woningdeler

basisnorm (percentage gehuwden norm)

50 %

50 %

50%

50%

toeslag 20% gehuwdennorm

(artikel 3 lid 2

20 %

20%

toeslag 10 % gehuwdennorm

i.v.m. delen kosten

(artikel 3 lid 4)

10%

10%

verlaging i.v.m. leeftijd

(artikel 5 1e

20%

20%

10%

10%

maximering verlaging op

grond van artikel 5 lid 2 tot de hoogte van de toeslag

10%

te ontvangen uitkering (percentage gehuwden norm)

50%

50%

60%

50%

Artikel 6

Inwonende kinderen 21 – 22 jaar:

In de per 1 januari 2004 in te voeren verordening wordt de leeftijd van het inwonende kind met inkomsten voor de toepassing van de verlaging van de toeslag verlaagd van 22 naar 21 jaar. Om te voorkomen dat de toeslag van degene die op 31 december 2003 een toeslag van 20% ontvangt op grond van de “bijstandsverordening Abw” wordt verlaagd, is gekozen om in de verordening de bepaling op te nemen om voor deze groep de ingangsdatum van de verlaging te koppelen aan de leeftijdswijziging van het niet ten laste komend kind.

21-22 jarigen:

Op grond van artikel 5 van de verordening wordt de toeslag van de alleenstaande van 21 en 22 jaar verlaagd met respectievelijk 20% en 10%. Op basis van de huidige Bijstandsverordening wordt de toeslag van een 21 jarige verlaagd met 10% en de toeslag van de 22 jarige niet verlaagd.

De verlaging gaat in per 1 januari 2004. Om de belanghebbende in staat te stellen om in te spelen op de gevolgen van de verlaging zijn er overgangsbepalingen vastgesteld.

Artikel 7

Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de Toeslagenverordening bij het college.

Artikel 8

Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van de wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3 Invoeringswet WWB (zie TK 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 8).