Regeling Participatieverordening Schiermonnikoog 2015 en verder

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding01-01-2015
  • Terugwerkende kracht t/m01-01-2015
  • Datum uitwerking-treding
  • BetreftOnbekend
  • Datum ondertekening23-06-2015
  • Bron bekendmakingOnbekend
  • Kenmerk voorstelOnbekend

Inleiding

De Raad van de gemeente Schiermonnikoog;

gelezen het voorstel van het college burgemeester en wethouders van 12 mei 2015,

gelet op artikel 108, tweede lid jo. artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet,

gelet op artikel 6, tweede lid van de Participatiewet,

gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdelen a, c, d en e van de Participatiewet,

B E S L U I T

vast te stellen de

Participatieverordening Schiermonnikoog 2015 en verder

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiermonnikoog;

  • b.

    doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Participatiewet, met uitzondering van personen als bedoeld in artikel 7, derde lid van deze wet;

  • c.

    doelgroep loonkostensubsidie: personen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de Participatiewet;

  • d.

    IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • e.

    IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • f.

    klant: persoon die tot de doelgroep van deze verordening behoort;

  • g.

    loonwaarde: loonwaarde als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel g van de Participatiewet;

  • h.

    nugger: niet-uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet, die niet of minder dan 12 uren per week werkt en meer dan 12 uren per week wil werken;

  • i.

    ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, inclusief het bepalen en aanbieden van door het college noodzakelijk geachte voorzieningen;

  • j.

    participatie: alle activiteiten waaraan de klant in de samenleving deelneemt, onderverdeeld in arbeid, onderwijs en maatschappelijke participatie;

  • k.

    pva: plan van aanpak waarin de door het college voor een individuele klant noodzakelijk geachte ondersteuning, alsmede de voor deze klant geldende algemene en bijzondere verplichtingen zijn vastgelegd;

  • l.

    Algemeen geaccepteerde arbeid: arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn, zoals prostitutie, zijn hiermee uitgesloten. De arbeid die wordt aangeboden hoeft niet beperkt te blijven tot de arbeid die gangbaar is voor de betrokken persoon, omdat hij bijvoorbeeld die arbeid in het verleden heeft verricht en daarmee wellicht meer affiniteit heeft dan met de aangeboden arbeid.

2.

Alle niet nader omschreven begrippen die in deze verordening worden gebruikt zoals zij zijn gedefinieerd in de Algemene wet bestuursrecht, de Participatiewet of overige in deze verordening aangehaalde wetten.

Artikel 2. Toepassingsbereik

Deze verordening richt zich op het bieden van ondersteuning aan klanten die tot de doelgroep behoren bij het participeren op het voor de individuele klant hoogst haalbare niveau, waarbij regulier werk (algemeen geaccepteerde arbeid) prioritair is.

Artikel 3. Opdracht college

1.

Het college biedt aan klanten ondersteuning bij participatie voor zover deze ondersteuning door het college noodzakelijk wordt geacht.

2.

Het college maakt een afweging van de individuele mogelijkheden en capaciteiten van een klant, teneinde de ondersteuning van klanten zodanig vorm te kunnen geven dat de beoogde mate van participatie zo doelmatig mogelijk wordt gerealiseerd.

3.

Bij de toepassing van het tweede lid besteedt het college in ieder geval aandacht aan de afstand tot de arbeidsmarkt en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de zorgtaken, waaronder begrepen de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar en het noodzakelijkerwijs verrichten van mantelzorg.

4.

Het college kan, bij het bepalen van de wijze waarop de ondersteuning wordt vormgegeven prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen.

5.

In geval van een nugger kan het college:

  • a.

    een eigen bijdrage instellen; of

  • b.

    nadere voorwaarden vaststellen, waarbij een inkomens- of vermogensgrens kan worden gehanteerd; of

  • c.

    zowel een eigen bijdrage instellen als nadere voorwaarden vaststellen, waarbij een inkomens- of vermogensgrens kan worden gehanteerd.

HOOFDSTUK 3. PARTICIPATIE ALGEMEEN

Artikel 4. Ondersteuning van klanten

1.

Het college doet een klant een aanbod voor ondersteuning bij participatie dat in overeenstemming is met de bepalingen van deze verordening en de op deze verordening gebaseerde beleidsregels.

2.

De componenten waaruit de ondersteuning bestaat worden nader uitgewerkt in een op de specifieke situatie van een klant toegespitst pva.

3.

In geval van klanten van 27 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd wordt het pva als bijlage toegevoegd aan de beschikking waarin het aanbod als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt bekend gemaakt.

4.

In geval van klanten beneden de 27 jaar wordt het pva overeenkomstig artikel 44, vierde lid van de Participatiewet als bijlage toegevoegd aan de beschikking waarin het aanbod voor ondersteuning als bedoeld in het eerste lid van dit artikel bekend wordt gemaakt.’

5.

Een klant heeft geen recht op ondersteuning indien er een voorliggende voorziening voorhanden is welke naar het oordeel van het college voldoende bijdraagt aan het behalen van de voor de klant hoogst haalbare participatietrede.

6.

Het college kan in beleidsregels vastleggen welke niet in deze verordening opgenomen voorzieningen het college kan aanbieden.

7.

Het college kan de voorwaarden die gelden voor de in het zesde lid van dit artikel bedoelde voorzieningen vaststellen in beleidsregels.

8.

Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die zijn verbonden aan de inkomensvoorziening waar een klant aanspraak op maakt, nadere verplichtingen verbinden aan een deze klant aangeboden voorziening.

Artikel 5. Verplichtingen klant

1.

Een klant die deelneemt aan een voorziening is gehouden tenminste te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de inkomensvoorziening waar de klant aanspraak op maakt, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.

2.

Indien een klant die deelneemt aan een voorziening niet voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, kan het college de aangeboden voorziening beëindigen.

3.

Het college verlaagt de uitkering van de klant conform hetgeen hierover is bepaald in de Participatiewet of de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Schiermonnikoog, indien de klant die deelneemt aan een voorziening niet voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

HOOFDSTUK 4. BEPALINGEN MET BETREKKING TOT IN DE PARTICIPATIEWET OPGENOMEN VOORZIENINGEN

Artikel 6. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort

1.

Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.

2.

Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:

  • a.

    de persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;

  • b.

    die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en

  • c.

    die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

Artikel 7. Vaststelling loonwaarde doelgroep loonkostensubsidie

Het college gebruikt de in beleidsregels nader te omschrijven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen.

Artikel 8. Beschut werk

1.

Een klant met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking, dan wel een combinatie van genoemde beperkingen, die een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek vereist dat van een reguliere werkgever in redelijkheid niet mag worden verwacht dat hij deze klant in dienst neemt, kan door het college de participatievoorziening beschut werk als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet worden aangeboden.

2.

Het college maakt ter uitvoering van het eerste lid van dit artikel een voorselectie uit de groep klanten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

3.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college overeenkomstig artikel 10b, tweede lid van de Participatiewet in verband met de beoordeling of een klant slechts mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden.

4.

Het college biedt de volgende op arbeidsinschakeling gerichte voorzieningen aan om de in artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken:

  • a.

    fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving;

  • b.

    uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

5.

Het college legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt.

Artikel 9. De no-riskpolis

1.

Het college kan werkgevers de kosten van een no-riskpolis vergoeden als:

a.

de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer;

b.

de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort tot de doelgroep;

c.

de werknemer een structurele functionele of andere beperking heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet ontvangt;

d.

artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en

e.

de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.

2.

Voor vergoeding komt uitsluitend in aanmerking een no-riskpolis die ten hoogste vergoedt:

a.

het loon van de werknemer tot 120 procent van het minimumloon, en

b.

15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.

3.

Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de gemeente een verzekering af met Centraal Beheer Achmea en treedt op als verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever.

4.

Het college verstrekt de no-riskpolis gerelateerd aan de duur van het dienstverband, tot een maximum van 12 maanden. Deze termijn kan nog eenmaal worden verlengd.

HOOFDSTUK 5. INNOVATIE

Artikel 10. Innovatie

1.

Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen, afwijken van het bepaalde in deze verordening en voor zover van toepassing, de Beleidsregels Participatie.

2.

De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste twee jaar.

3.

Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van de Participatieverordening en de Beleidsregels Participatie, kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling.

4.

Indien het college gebruik wil maken van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid wordt dit voornemen voorgelegd aan de Cliëntenraad Werk en Inkomen.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 11. Uitvoering

1.

Het college draagt zorg voor de uitvoering van deze verordening.

2.

Het college stelt voor de uitvoering van deze verordening beleidsregels vast.

Artikel 12. Hardheidsclausule

Het college kan, indien de toepassing van bepalingen in deze verordening in de individuele situatie tot onbillijkheden van overwegende aard leidt voor zover het de bevoegdheid betreft die voortvloeit uit deze verordening, afwijken van deze verordening.

Artikel 13. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Participatieverordening gemeente Schiermonnikoog 2015 en verder’.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015 onder gelijktijdig intrekken van de bestaande re-integratieverordening WWB.

Algemeen

De gemeente heeft in het kader van de Participatiewet een belangrijke taak met betrekking tot het bieden van ondersteuning bij participatie van personen die behoren tot de diverse in deze wet opgenomen doelgroepen, waarbinnen weer een aantal subgroepen te onderscheiden zijn (zie artikel 7, eerste lid, Participatiewet). De raad dient in een verordening het gemeentelijk beleid ten aanzien van voornoemde taak te bepalen. Verder dient in deze verordening ook de aanspraak van klanten op ondersteuning bij participatie te worden vastgelegd. Het bieden van ondersteuning bij participatie is maatwerk omdat de vorm waarin zij geboden kan worden sterk afhankelijk is van de mogelijkheden en beperkingen in het individuele geval. Het formuleren van gedetailleerde regels die in elke denkbare situatie kunnen worden toegepast is gelet op het voorgaande dan ook niet haalbaar. Deze verordening is daarom zo algemeen mogelijk gehouden en is procedureel van opzet. Zij bevat louter hetgeen op grond van de Participatiewet vastgelegd moet worden. Dit biedt de gemeente de mogelijkheid om op flexibele wijze en over meerdere jaren nadere invulling te geven aan een adequate ondersteuning. Het college is bevoegd om in beleidsregels nader uit te werken op welke manier een tot de doelgroep behorende persoon ondersteuning bij participatie zal worden aangeboden. De procedurele opzet van de verordening stelt het college tevens in staat om maatwerk aan de klant te leveren.

Binnen de dienstverlening aan personen die tot de doelgroep behoren staat participatie centraal. De gemeente wil dat een zo groot mogelijke groep van deze personen deelneemt aan de samenleving. Het liefst in de vorm van betaalde arbeid, maar waar dat (nog) niet kan ook op andere manieren. Bijvoorbeeld door het doen van vrijwilligerswerk. Indien nodig, biedt de gemeente hen ondersteuning.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit artikel worden een aantal begrippen die in deze verordening voorkomen gedefinieerd. Voor zover de begrippen niet worden omschreven, wordt aansluiting gezocht bij de definities in de Algemene wet bestuursrecht, de Participatiewet en de overige in deze verordening aangehaalde wetten.

Artikel 2. Toepassingsbereik

In dit artikel wordt omschreven wat de raad wil bewerkstelligen met deze verordening. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 3. Opdracht college

Algemeen

Het college draagt zorg voor de participatie van klanten. In dit artikel wordt aangegeven waar het college rekening mee moet houden bij het geven van ondersteuning. Behalve dat het college op grond van de Participatiewet altijd verplicht is om iedere ondersteuning af te stemmen op de klant wordt een en ander door middel van de in dit artikel opgenomen criteria nogmaals gewaarborgd.

Derde lid

In het derde lid wordt aandacht besteed aan de aanwezigheid van zorgtaken. Dit is een aspect waarvan de wetgever expliciet aangeeft dat daar rekening mee moet worden gehouden. Het gaat daarbij niet alleen om de zorgtaken die betrekking hebben op de zorg voor kinderen. Ook de aanwezigheid van zorgtaken voor huisgenoten, familieleden of andere personen, de zogenaamde mantelzorg, kan ertoe leiden dat personen soms niet of in mindere mate beschikbaar zijn voor het verrichten van arbeid.

Vierde lid

In het vierde lid worden kaders aangegeven voor prioritering in de aangeboden ondersteuning.

Zevende lid

Het zevende lid betreft de mogelijkheid tot het vragen van een eigen bijdrage of het vaststellen van nadere voorwaarden heeft betrekking op de doelgroep niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers). Van deze groep is namelijk niet vanzelfsprekend dat zij op een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen bijdrage of het stellen van nadere voorwaarden kan dan op zijn plaats zijn.

Artikel 4. Ondersteuning van klanten

Algemeen

In artikel 10 van de Participatiewet is de aanspraak op ondersteuning van klanten die behoren tot de doelgroep van deze verordening geregeld. Aanspraak op ondersteuning betekent niet dat er een dergelijke klant zonder meer recht heeft op ondersteuning. Het college doet namelijk geen aanbod als zij dit niet noodzakelijk acht.

Tweede lid tot en met vierde lid

Alle klanten aan wie ondersteuning wordt aangeboden krijgen een plan van aanpak dat is toegespitst op de individuele situatie van de klant. Een plan van aanpak is wettelijk verplicht voor jongeren beneden de 27 jaar, maar het wordt wenselijk geacht om een dergelijk plan ook op te stellen in geval van klanten die 27 jaar of ouder zijn, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In het plan van aanpak dient helder te worden vastgelegd te leggen op welke manier de ondersteuning in een individueel geval wordt vorm gegeven en welke verplichtingen daarmee gepaard gaan. De klant committeert zich aan het plan, door het plan te ondertekenen.

Het college begeleidt een klant bij de uitvoering van het plan van aanpak. Dit plan van aanpak wordt door het college, in samenspraak met de klant, periodiek geëvalueerd en, indien nodig, bijgesteld.

Vijfde lid

Het vijfde lid geeft dat een klant in geval van een toereikende voorliggende voorziening geen recht heeft op ondersteuning door het college .

Zesde, zevende en achtste lid

In deze leden worden bevoegdheden aan het college verstrekt om nader te bepalen welke voorzieningen kunnen worden aangeboden. Tevens is het college bevoegd om aan een dergelijke voorziening nadere verplichtingen voor de klant te verbinden.

Artikel 5. Verplichtingen klant

Eerste en tweede lid

Deze leden hebben betrekking op de algemene verplichtingen die voortvloeien uit bijvoorbeeld de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ en de individuele verplichtingen die het college daarnaast kan aan een voorziening kan verbinden. Indien deze verplichtingen niet of onvoldoende worden nagekomen is het college bevoegd om de aangeboden voorziening te beëindigen.

Derde lid

In het derde lid is vastgelegd dat indien een klant zich niet houdt aan de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, hem een verlaging zal worden opgelegd conform de artikelen in de Participatiewet of de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015. Het voorgaande is alleen van toepassing indien de klant een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ.

Artikel 6. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort

Eerste lid

In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:

  • ·

    personen die algemene bijstand ontvangen;

  • ·

    personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;

  • ·

    personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;

  • ·

    personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en

  • ·

    personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Tweede lid

In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62).

In het tweede lid is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.

Artikel 7. Vaststelling loonwaarde doelgroep loonkostensubsidie

In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college ambtshalve de loonwaarde van die persoon vaststelt. De hierbij te gebruiken loonwaardemethodiek wordt nader door het college in beleidsregels vastgelegd.

Artikel 8. Beschut werk

Eerste lid

Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt .

Tweede en derde lid

Het tweede tot en met het vierde lid kunnen nader worden beschreven in vier stappen:

Stap 1: voorselectie

Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken.

Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het College kan een arbeidsdeskundige van NEF inschakelen in het kader van een voorselectie. Het college moet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet).

Stap 3: besluit gemeente

Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen.

Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'

Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken.

Vierde lid

Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken.

Vijfde lid

Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers. Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod te kunnen bepalen.

Artikel 9. De no-riskpolis

Algemeen

De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet).

De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de no-riskpolis.

Eerste lid

In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal zes maanden duren.

Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de gemeente.

Tweede lid

De no-riskpolis vergoedt:

  • ·

    het loon van de werknemer tot 120 procent van het minimumloon;

  • ·

    15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.

Derde lid

De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een verzekering afsluiten met Centraal Beheer Achmea. De gemeente treedt op als verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde.

Vierde lid

Het college vergoedt de no-riskpolis tot 12 maanden na indiensttreding van de werknemer bij de werkgever.

Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verantwoordelijk

De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder loonkostensubsidie, gaat de

verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet van toepassing zijn.

Artikel 10. Innovatie

Op grond van dit artikel heeft het college de mogelijkheid om in een experimentele vorm een voorziening te kunnen aanbieden, zodat adequaat op nieuwe ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Elk voornemen van het college om gebruik te maken van deze bevoegdheid zal worden voorgelegd aan de Cliëntenraad Werk en Inkomen.

Artikel 11. Uitvoering

De uitvoering van deze verordening berust bij het college. Het college stelt voor deze uitvoering nadere regels vast.

Artikel 12. Hardheidsclausule

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 13. Citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.