Regeling Maatregelverordening Ioaw en Ioaz gemeente Schiermonnikoog 2010

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 29-01-2011
  • Terugwerkende kracht t/m 01-07-2010
  • Datum uitwerking-treding 01-01-2015
  • Betreft nieuwe regeling
  • Datum ondertekening 25-01-2011
  • Bron bekendmaking Nieuwsbrief, 28 januari 2011
  • Kenmerk voorstel Onbekend

Inleiding

De raad van de gemeente Schiermonnikoog;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 januari 2011;

gelet op artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt werkloze werknemers (Ioaw), en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt gewezen zelfstandigen (Ioaz)

Gelet op artikelen 147 Gemeentewet;

B E S L U I T:

vast te stellen de “Maatregelverordening Ioaw en Ioaz gemeente Schiermonnikoog 2010”

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijving

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt werkloze werknemers

  • b.

    Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt gewezen zelfstandigen;

  • c.

    uitkering: de uitkering bedoeld in artikel 9 lid 1 Ioaw of 9 lid 1 Ioaz;

  • d.

    grondslag: de grondslag, bedoeld in artikel 5 Ioaw of 5 Ioaz;

  • e.

    maatregel: het verlagen dan wel het weigeren van de uitkering op grond van artikel 20 Ioaw of 20 Ioaz;

  • f.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiermonnikoog;

  • g.

    benadelingsbedrag: het bedrag aan ten onrechte verstrekte uitkering, bedoeld in artikel 31 van de Ioaw en artikel 31 van de Ioaz.

Artikel 2 Het opleggen van een maatregel

1.Indien de belanghebbende:

  • a.

    in de periode voorafgaand aan de aanvraag van een uitkering op grond van de Ioaz of nadien zich onvoldoende heeft ingezet voor de voorziening in het bestaan;

  • b.

    de verplichtingen, bedoeld in artikel 20, tweede lid van de Ioaw of artikel 20, eerste lid van de Ioaz niet of niet voldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college ernstig misdragen, of

  • c.

    uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de Ioaw of artikel 8 van de Ioaz zou hebben kunnen verwerven in de gevallen, bedoeld in artikel 20, eerste lid van de Ioaw of artikel 20, tweede en derde lid Ioaz,

wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Artikel 3 De wijze van opleggen van een maatregel

1.

De maatregel wordt toegepast op de grondslag.

2.

De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste van de maand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de maatregel is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor eerstgenoemde maand geldende grondslag

3.

In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald.

4.

Indien geen maatregel kan worden opgelegd of de reeds opgelegde maatregel niet of niet geheel kan worden uitgevoerd omdat de uitkering wordt beëindigd kan alsnog een maatregel worden opgelegd respectievelijk kan het nog niet uitgevoerde deel van de maatregel alsnog ten uitvoer worden gelegd indien de belanghebbende binnen een termijn van twaalf maanden recht op uitkering heeft.

Artikel 4 Afzien van het opleggen van een maatregel

1.

Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:

  • a.

    elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of

  • b.

    de gedraging meer dan een jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte uitkering is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.

2.

Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

3.

Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 5 Waarschuwing

Van het opleggen van een maatregel wegens een gedraging van de eerste categorie kan worden afgezien en kan worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing terzake de verwijtbare gedraging, bedoeld in artikel <>, tenzij het niet nakomen van deze verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaren te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Artikel 6 Samenloop van gedragingen

1.

Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2 inhouden vindt cumulatie plaats van de maatregelen.

2.

Indien de cumulatie van de maatregelen hoger is dan 100% en dus niet in één kalendermaand kan worden geëffectueerd kan het resterende deel van de maatregel opgelegd worden in de volgende maand(en).

HOOFDSTUK 2 PLICHT TOT ARBEIDSINSCHAKELING

Artikel 7 Gedragingen

Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting tot het verlenen van medewerking aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet of niet voldoende is nagekomen worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    Eerste categorie:

    • a.

      het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig verlengen van de registratie, tenzij voor belanghebbende het inzetten van re-integratievoorzieningen niet zinvol wordt geacht;

    • b.

      het niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van invloed kan zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op uitkering of de voortzetting daarvan;

  • 2.

    Tweede categorie:

  • a.

    het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te behouden;

  • b.

    het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding;

  • c.

    het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen.

  • 3.

    Derde categorie:

  • a.

    gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;

  • b.

    het niet of onvoldoende gebruik maken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering

  • 4.

    Vierde categorie

  • a.

    het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid (alleen Ioaw);

  • b.

    het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Artikel 8 De hoogte van de maatregel

1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid wordt voor de gedraging als bedoeld in artikel 7 de hoogte van de maatregel als volgt vastgesteld:

  • a.

    10% van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;

  • b.

    25% van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

  • c.

    50% van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie;

  • d.

    100% van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de maatregel voor gedragingen van de vierde categorie ten hoogste vastgesteld op het bedrag dat de belanghebbende uit of in verband met arbeid zou hebben kunnen verwerven indien hij de algemeen geaccepteerde arbeid had aanvaard of behouden, dan wel indien de dienstbetrekking niet was beëindigd.

3.

De duur van de maatregel wordt verdubbeld als binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid is opgelegd sprake is van een nieuwe als verwijtbaar aan te merken gedraging van eenzelfde of een hogere categorie.

4.

Met een besluit als bedoeld in het derde lid wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 4, tweede lid.

HOOFDSTUK 3 DE INLICHTINGENPLICHT

Artikel 9 Te laat verstrekken van gegevens

1.

Indien de belanghebbende de verplichting op grond van artikel 13 van de Ioaw of de Ioaz niet of niet volledig is nagekomen door informatie die van belang kan zijn voor de arbeidsinschakeling of het recht op uitkering, de hoogte of de duur daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt een maatregel opgelegd van 10% van de grondslag gedurende één maand, onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid.

2.

De duur van de maatregel wordt met één maand verlengd indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, sprake is van een zelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging.

3.

Met een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 4, tweede lid.

Artikel 10 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor

de uitkering

  • 1.

    Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 van de Ioaw of de Ioaz heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van uitkering wordt een maatregel opgelegd welke wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid wordt de maatregel vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag met dien verstande dat zij op ten minste €50,00 wordt gesteld en gemaximeerd op €2.250.:

Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor

de uitkering

Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 van de Ioaw of artikel 13 van de Ioaz niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering bedraagt de maatregel, onverminderd artikel 2 tweede lid 10% van de grondslag gedurende één maand.

HOOFDSTUK 4 OVERIGE GEDRAGINGEN

Artikel 12 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Ioaz

1.

Indien een belanghebbende zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering op grond van de Ioaz of nadien onvoldoende heeft ingezet voor de voorziening in het bestaan, anders dan de gedragingen in hoofdstuk 2 of 3 van deze verordening, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer een beroep moet doen op de uitkering. Artikel 2, tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

2.

De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op: a. 25% van de grondslag gedurende een maand bij een periode korter dan drie maanden; b. 25% van de grondslag gedurende drie maanden bij een periode van drie tot zes maanden; c. 25% van de grondslag gedurende zes maanden bij een periode van zes maanden of langer.

Artikel 13 Zeer ernstige misdragingen

1.

Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn medewerkers stemt het college de uitkering van de belanghebbende af door de hoogte van de uitkering te verlagen. De maatregel bedraagt: a. 10% van de grondslag gedurende een maand indien de gedraging gekwalificeerd kan worden als verbaal geweld; b. 25% van de grondslag gedurende een maand indien de gedraging gekwalificeerd kan worden als vernieling; c. 50% van de grondslag gedurende een maand indien de gedraging gekwalificeerd kan worden als bedreiging; d. 100% van de grondslag gedurende een maand indien de gedraging gekwalificeerd kan worden als mishandeling.

2.

In aanvulling op het eerste lid kan door of namens het college aangifte worden gedaan bij de politie dan wel aan belanghebbende de toegang tot het gemeentehuis (locatie waar de werkzaamheden in verband met de Ioaw en Ioaz worden uitgevoerd) worden ontzegd.

3.

Het opleggen van een maatregel laat de mogelijkheid onverlet om de door de gedraging veroorzaakte schade op de belanghebbende te verhalen.

4.

De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een gedraging genoemd in het eerste lid.

Artikel 14.. Slotbepaling

In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.

Artikel 15 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking een dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 juli 2010.

Artikel 16 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: “Maatregelverordening Ioaw en Ioaz gemeente Schiermonnikoog”.

Regeling informatie

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 25 januari 2011

, voorzitter (L.K. Swart).

, griffier (S.T. van der Zwaag).

Algemene toelichting

In de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt gewezen zelfstandigen (Ioaz) in het leven geroepen omdat het bezwaarlijk gevonden werd om oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en gewezen zelfstandigen onder de Algemene bijstandswet (Abw, thans Wet werk en bijstand) te laten vallen en daarmee aan een vermogenstoets en volledige inkomenstoets te onderwerpen. Afgezien van deze twee punten vertonen de Ioaw en de Ioaz nauwe verwantschap met de Wet werk en bijstand (WWB).

Door de inwerkingtreding van de Wet Bundeling van uitkeringen inkomensvoorzieningen aan gemeenten (BUIG) per 1 januari 2010 is het college, net als bij de WWB, volledig financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van de Ioaw en de Ioaz. Een aantal verplichtingen in deze wetten zijn bevoegdheden geworden. Dit gaat gepaard met beleidsvrijheid en twee nieuwe verplichte verordeningen. Op grond van artikel 35 lid 1 Ioaw en Ioaz moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen met betrekking tot:

  • 1.

    het ondersteunen van arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling;

  • 2.

    de weigering en verlaging bedoeld in artikel 20 van de Ioaw en de Ioaz;

  • 3.

    de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de Ioaw en de Ioaz in het kader van het financiële beheer.

Deze maatregelverordening Ioaw en Ioaz vloeit voort uit de opdracht onder punt 2. De opdracht onder punt 1 bestond al, hierin is voorzien in de bestaande Re-integratieverordening, die mede betrekking heeft op Ioaw- en Ioaz-gerechtigden. In de opdracht onder 3 is voorzien in een technische wijziging van de Handhavingsverordening, welke begin 2010 door de gemeenteraad is vastgesteld.

Net als bij de WWB is aan het recht op een Ioaw- of Ioaz-uitkering de plicht verbonden zich in te zetten om zo snel mogelijk weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Bovendien geldt de verplichting alle informatie te verstrekken die van invloed kan zijn op de arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, en om medewerking te verlenen aan de uitvoering van de wet. Wanneer het college tot het oordeel komt dat de uitkeringsgerechtigde die verplichtingen niet of niet voldoende nakomt wordt de uitkering verlaagd. Dat gebeurde tot 1 januari 2010 via het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. In deze algemene maatregel van bestuur werd bepaald op welke wijze de uitkering werd verlaagd. Daarnaast gold het Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten voor gevallen waarin niet tijdig aan de inlichtingenplicht werd voldaan. Per 1 juli 2010 moet als gevolg van de door het Rijk volledig aan de gemeenten overgedragen verantwoordelijkheid de verlaging van de uitkering bij schending van de verplichtingen plaatsvinden overeenkomstig de door de gemeenteraad vast te stellen verordening.

Gelet op de nauwe verwantschap tussen de uitkeringsregelingen is er geen aanleiding om verschillende kaders voor maatregeloplegging te scheppen voor ontvangers van verschillende uitkeringen. Daarom is deze verordening voor zover mogelijk gelijk aan de maatregelverordeningen zoals die op grond van de WWB en de Wet investeren in jongeren (WIJ) zijn vastgesteld. Omwille van de leesbaarheid is niet gekozen voor één verordening voor alle regelingen tezamen, omdat het aantal maatregelwaardige gedragingen binnnen de Ioaw en Ioaz beperkter is dan binnen de WWB en de WIJ. Daarnaast hanteren de WWB en de WIJ andere termen dan de Ioaw en de Ioaz.

In tegenstelling tot de WWB als laatste vangnet in de sociale zekerheid kennen de Ioaw en de Ioaz voor het verwijtbaar niet aanvaarden of behouden van werk de bevoegdheid tot het blijvend weigeren van uitkering naar de mate waarin door de gedraging inkomsten zijn of worden misgelopen. Aan iemand die bijvoorbeeld verwijtbaar een inkomen van €500 per maand verliest mag blijvend, dus zolang de belanghebbende een uitkering ontvangt, een maatregel ter hoogte van dit bedrag worden opgelegd. Er is geen reden om de Ioaw-er of Ioaz-er op dit punt anders te behandelen dan bijstandsgerechtigden. Een strenger beleid zou er in een aantal gevallen toe kunnen leiden dat de WWB als vangnet wordt aangesproken. Dit leidt dan tot een beoordeling van het recht op een WWB-uitkering, en daarmee tot een nieuwe beoordeling van de maatregelwaardige gedraging, ditmaal op grond van de WWB-verordening. Dit leidt tot onnodige uitvoeringskosten, onder andere omdat de WWB voorschrijft dat een maatregel die langer dan drie maanden duurt iedere drie maanden herbeoordeeld moet worden. Er lopen dan twee uitkeringen naast elkaar waarbij de inkomsten uit de Ioaw- of Ioaz-uitkering op de WWB-uitkering in mindering gebracht moeten worden. In deze verordening is er daarom voor gekozen geen gebruik te maken van de bevoegdheid tot het blijvend weigeren van de uitkering als maatregel.

Een maatregel wordt alleen opgelegd als de maatregelwaardige gedraging de belanghebbende verweten kan worden. De wet bepaalt dat het college geen maatregel op mag leggen als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Artikelgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsomschrijving

De begrippen die in deze verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als de omschrijving in de wet.

Artikel 2 Het opleggen van een maatregel

De Ioaw en Ioaz verbinden informatie- en medewerkingsverplichtingen en de plicht tot arbeidsinschakeling aan het recht op uitkering

Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting om aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling, het recht op uitkering en de hoogte en de duur daarvan, of op het bedrag dat aan hem wordt betaald (artikel 13, eerste lid Ioaw en Ioaz). Deze verplichting geldt op grond van de wet Suwi bij de uitkeringsaanvraag ook jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) voor Ioaw-gerechtigden. Ioaz-aanvragen worden rechtstreeks bij het college ingediend, daarom geldt deze plicht niet voor Ioaz-gerechtigden.

De uitkeringsgerechtigde is verplicht om desgevraagd aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan bestaan uit concrete dingen, zoals het toestaan van een huisbezoek, of het meewerken aan een medisch onderzoek (artikel 13, tweede lid Ioaw en Ioaz). Artikel 20, tweede lid Ioaw en artikel 20, eerste lid Ioaz noemen een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt “het zich jegens het college zeer ernstig misdragen”.

De plicht tot arbeidsinschakeling bestaat uit meerdere verplichtingen:

  • a.

    naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

  • b.

    als werkzoekende ingeschreven staan en blijven bij het UWV Werkbedrijf

  • c.

    algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;

  • d.

    na te laten wat inschakeling in de arbeid belemmert;

  • e.

    gebruik te maken van een door het college aangeboden op arbeidsinschakeling gerichte voorziening, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

In deze maatregelverordening zijn voor gedragingen die een schending van een verplichting betekenen standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vast percentage van de grondslag. In het tweede lid is de regel vastgelegd dat het opleggen van een maatregel maatwerk is: de maatregel wordt altijd afgestemd op de ernst van de gedraging, de verwijtbaarheid en de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel naar boven (een verzwaring) als naar beneden (een matiging) betekenen.

De ernst van de gedraging komt in principe tot uiting in het standaardpercentage van de verlaging. De gedragingen zijn verdeeld in vier categorieën, oplopend in zwaarte. Voor de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid verwijzen wij naar de toelichting bij artikel 4. Omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde die reden kunnen zijn voor het afstemmen van de standaardmaatregel kunnen bijvoorbeeld bijzondere financiële omstandigheden zijn (bijzondere kosten waarvoor geen financiële tegemoetkoming bestaat).

De Ioaw kent, in tegenstelling tot de WWB en de Ioaz, niet het begrip ‘tekortschietend besef van verantwoordelijkheid’ (vergelijk artikel 18 WWB, artikel 20 Ioaw en artiekl 20 Ioaz). Het betonen van dit tekortschietend besef is onder de Ioaw dan ook geen maatregelwaardige gedraging.

Artikel 3 De wijze van opleggen van een maatregel

De Ioaw en de Ioaz zijn bruto-uitkeringen en worden maandelijks netto betaald. Netto is de uitkering gelijk aan de bijstandsnorm die in een vergelijkbare situatie geldt. Vanwege deze systematiek wordt de maatregel opgelegd over de bruto grondslag zodat het netto inkomen zoveel mogelijk gelijk is aan de bijstandsuitkeringen. Dit komt overeen met de methode die in het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz werd gehanteerd.

Een maatregel wordt in de toekomst opgelegd waarbij wordt uitgegaan van de grondslag in de maand(en) dat de maatregel wordt uitgevoerd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de uitkeringsgerechtigde is uitbetaald kan de maatregel verrekend worden met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald.

Wanneer bij uitkeringsbeëindiging sprake is van maatregelwaardig gedrag, bijvoorbeeld wegens inlichtingenfraude, kan de maatregel worden opgelegd bij hervatting van het recht op uitkering binnen twaalf maanden. Ook als de uitkering beëindigd wordt terwijl nog een maatregel wordt uitgevoerd kan het nog niet uitgevoerde deel van de maatregel alsnog in een nieuwe uitkeringsperiode worden uitgevoerd wanneer deze binnen twaalf maanden start. Steeds zal moeten worden bezien of individuele omstandigheden bij die nieuwe aanvraag het alsnog uitvoeren van de maatregel in de weg staan.

Artikel 4 Afzien van het opleggen van een maatregel

In de wet is al vastgelegd dat van een verlaging wordt afgezien als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Deze bepaling is voor de duidelijkheid ook in de verordening opgenomen.

Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is het tijdsverloop tussen de gedraging en de constatering daarvan. Omwille van effectiviteit (‘lik-op-stuk’) moet een verlaging zo spoedig mogelijk nadat de gedraging heeft plaatsgevonden worden toegepast. Om deze reden is er een verjaringstermijn van één jaar. Voor schending van de inlichtingenplicht bedraagt deze verjaringstermijn vijf jaren.

Het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van het opleggen van een maatregel als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn is afhankelijk van de concrete individuele situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. De aanwezigheid van dringende redenen moet in het algemeen niet lichtvaardig worden aangenomen. Het doel van de schriftelijke mededeling dat wegens dringende redenen van het opleggen van een maatregel wordt afgezien is van belang in verband met eventuele recidive.

Artikel 5 Waarschuwing

Voor een maatregelwaardige gedraging van de eerste categorie (het zich niet laten registeren als werkzoekende, of het niet tijdig verlengen van die registratie) kan het college besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel, en kan zij volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Het doel van de schriftelijke waarschuwing is van belang in verband met eventuele recidive. Als de belanghebbende binnen twee jaren na die schriftelijke waarschuwing opnieuw een maatregelwaardige gedraging van de eerste categorie pleegt legt het college wel een maatregel op.

Artikel 6 Samenloop van gedragingen

Als door een samenloop van maatregelwaardige gedragingen het gezamenlijke percentage van de verschillende maatregelen meer dan 100% is kan het resterende deel van de maatregel worden opgelegd in de volgende maand(en).

Artikel 7 Gedragingen

De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid worden in vier categorieën onderscheiden. De ernst van de gedraging is het onderscheidende criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.

De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV. Deze inschrijving is voor de belanghebbende met perspectief op de arbeidsmarkt van het grootste belang. Het niet verlengen van die inschrijving wordt als minder zwaarwegend gezien voor belanghebbenden voor wie het inzetten van re-integratiemiddelen niet zinvol wordt geacht.

De gedragingen uit de tweede categorie hebben betrekking op de plicht tot arbeidsinschakeling. Hieronder valt de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt, en de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep. ‘Algemeen geaccepteerde arbeid’ is arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Er is bijvoorbeeld geen onderscheid in deeltijd of voltijd, tijdelijke of voor onbepaalde tijd. Ook gesubsidieerde arbeid en zelfstandig ondernemerschap kunnen hieronder vallen. Werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn zijn bijvoorbeeld prostitutie en onder omstandigheden werkzaamheden die gewetensbezwaren oproepen. Werken tegen een loon dat lager is dan het minimumloon is evenmin algemeen geaccepteerd.

Verder gaat het om het niet of niet voldoende gebruik maken van een (door het college aangeboden) voorziening die op arbeidsinschakeling is gericht (waaronder sociale activering) en om het niet of niet voldoende meewerken aan onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet verschijnt op afspraken voor een dergelijk onderzoek, of opdrachten in het kader van scholing of traject niet naar behoren uitvoert. Dit leidt tot vertraging, maar deze gedragingen hebben niet tot gevolg dat de voorziening definitief geen doorgang vindt of wordt beëindigd.

Ook gaat het om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen, of om niet verantwoorde beperkingen die de belanghebbende stelt ten aanzien van de voor hem of haar aanvaardbare arbeid. Negatieve gedragingen kunnen onder meer tot uitdrukking komen in de manier waarop iemand zich bij een sollicitatie(gesprek) opstelt.

In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct aanleiding vormen tot het zonder noodzaak langer voortduren van de uitkeringsafhankelijkheid, en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling ernstig verminderen of zelfs onmogelijk maken. Het gaat om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in de tweede categorie, echter nu met het gevolg dat de voorziening wél definitief geen doorgang vindt of wordt beëindigd.

In de vierde categorie gaat het om weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid (zie voor de definitie hiervan de toelichting bij de tweede categorie). De plicht om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden is neergelegd in artikel 37 van de Ioaw en de Ioaz. In artikel 20, tweede lid Ioaw en artikel 20, eerste lid Ioaz is het niet nakomen van deze verplichting uitgezonderd voor het verlagen van de uitkering. In artikel 20, eerste lid van de Ioaw kan het niet nakomen van deze verplichting aanleiding zijn de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren. In deze verordening leidt het niet nakomen van deze verplichting tot een tijdelijke maatregel van 100% gedurende één maand. In de Ioaz is blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering als gevolg van het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid niet benoemd als maatregelwaardige gedraging.

Ten derde gaat het om de beëindiging van een dienstbetrekking op de gronden, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel a en b Ioaw of artikel 20, tweede lid Ioaz. Dit gaat over verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld ontslag op staande voet wegens werkweigering of ontslag op eigen verzoek.

Artikel 8 Hoogte van de maatregel

De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van de standaardmaatregel. De hoogte en duur van de maatregel worden evenwel afgestemd op de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

Bij het niet aanvaarden of door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid bedraagt de standaardmaatregel 100% gedurende één maand. Als met de arbeid een inkomen verworven had kunnen worden dat lager is dan de grondslag wordt de maatregel vastgesteld op het bedrag van dat inkomen.

Artikel 9 Te laat verstrekken van gegevens

Als de belanghebbende de voor de uitkering of arbeidsinschakeling van belang zijnde gegevens niet op tijd verstrekt kan het college de uitkering opschorten en de belanghebbende een termijn stellen waarbinnen de gevraagde gegevens alsnog verstrekt moeten worden. Als de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn verstrekt worden kan het college de uitkering intrekken (stopzetten). Als de gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn worden verstrekt wordt de uitkering voortgezet, maar wordt een maatregel opgelegd.

Artikel 10 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de uitkering

De ernst van de gedraging komt tot uiting in de hoogte van het benadelingsbedrag. De maatregel bedraagt dan ook een percentage van het benadelingsbedrag: hoe hoger de benadeling, hoe hoger de maatregel.

Het college is verplicht aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie (OM) als het benadelingsbedrag €10.000 of meer is. In dat geval moet het college de beslissing van het OM afwachten voordat een maatregel wordt opgelegd. Als het OM seponeert kan het college tot het opleggen van een maatregel overgaan. Als het OM een sanctie heeft opgelegd kan geen maatregel meer worden opgelegd. Een overtreding kan slechts éénmaal bestraft worden.

Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de uitkering

Bij zogenoemde ‘nulfraude’ wordt een standaardmaatregel toegepast.

Artikel 12 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Ioaz

De eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan leidt tot de verplichting om zo mogelijk te voorkomen dat men een beroep op een sociale uitkering moet doen. Voor personen die zijn aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is deze verplichting onder andere te herkennen in het als maatregelwaardig aanmerken van het door eigen toedoen werkloos worden.

Ten aanzien van gewezen zelfstandigen die (noodgedwongen) hun bedrijf hebben moeten beëindigen heeft deze verplichting een iets ander karakter. Ook zij zijn voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag en daarna verplicht om zich in te zetten voor de voorziening in het bestaan, maar in de periode voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag was dat niet door het behouden van arbeid in dienstbetrekking. De zelfstandige dient zijn ondernemerschap op een zodanige wijze uit te oefenen dat hij daarmee duurzaam een inkomen verwerft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Als hij dit op verwijtbare wijze nalaat, en dat vervolgens leidt tot de uitkeringsaanvraag, dan heeft hij zich onvoldoende ingezet voor de voorziening in zijn bestaan. Hij betoont daarmee tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Ook wanneer iemand tijdens de uitkeringsperiode nog zelfstandige arbeid verricht is dit artikel van toepassing.

Artikel 13 Zeer ernstige misdragingen

Onder de wettelijke term ‘zeer ernstige misdragingen’ worden diverse vormen van verbale en non-verbale agressie verstaan welke in het normale menselijke verkeer als onacceptabel worden beschouwd. In de verordening is vastgelegd dat dergelijk gedrag aanleiding geeft om een maatregel op te leggen. Het college kan alleen een maatregel opleggen als er een verband bestaat tussen de gedraging en de vaststelling van het recht op uitkering.

In 2008 is in Nofa-verband arbo-beleid vastgesteld voor onder andere agressief gedrag van derden (klanten). In dit beleid is vastgelegd hoe de organisatie omgaat met geweld door derden (preventie, registratie, , aangifte nazorg, schadeverhaal en andere maatregelen tegen de dader(s)).

De maatregel is niet bedoeld als vergoeding voor ontstane schade. Om die reden is in de verordening opgenomen dat naast het opleggen van de maatregel de schade op de veroorzaker kan worden verhaald.