Regeling Besluit nadere regels Wmo 2015 Gemeente Schiermonnikoog

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 12-07-2016
  • Terugwerkende kracht t/m 01-01-2015
  • Datum uitwerking-treding 01-01-2017
  • Betreft Onbekend
  • Datum ondertekening 28-06-2016
  • Bron bekendmaking officielebekendmakingen.nl en schiermonnikoog.nl
  • Kenmerk voorstel Onbekend

Inleiding

Besluit Nadere regels Wmo 2015 gemeente Schiermonnikoog

Inleiding

Dit besluit bevat nadere regels voor uitvoering van de Wmo. Het is een nadere invulling van dat wat al via de Wmo 2015 en gemeentelijke Wmo verordening is geregeld. Daarom wordt in dit besluit ook een aantal keren verwezen naar deze wet en deze verordening. Waar wet staat, wordt dus de ‘Wet maatschappelijke ondersteuning 2015’ bedoeld. En waar verordening staat, wordt de Verordening Wmo gemeente Schiermonnikoog 2015 (of een opvolger daarvan) bedoeld. Ook de definities uit deze wet en verordening gelden in dit besluit.

De nieuwe wet Wmo 2015 borduurt deels voort op de weg die, via ‘de kanteling’ onder de oude Wmo was ingezet. Ook onder de nieuwe wet wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de belanghebbende en zijn sociaal netwerk. De gemeente verstrekt, waar nodig, aanvullend hierop voorzieningen om iemand deel laten te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te laten functioneren in de maatschappij. Zo’n voorziening kan een algemene voorziening zijn, of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening.

In dit besluit zijn nadere regels opgenomen over:

  • -

    het persoonsgebonden budget (pgb);

  • -

    de eigen bijdrage;

  • -

    de tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen;

  • -

    de jaarlijkse waardering voor mantelzorgers; en

  • -

    medezeggenschap bij aanbieders.

Ook wordt in het onderdeel ‘verheldering’ ingegaan op:

  • -

    criteria voor het verstrekken van voorzieningen;

  • -

    een second opinion, bezwaar en klachten

Het is niet zo dat dit document al het beleid voor de Wmo bevat. Zoals al aangegeven, gelden voor de uitvoering van de Wmo ook bepalingen uit de wet en de verordening. Hiernaast zijn en worden er nog andere documenten vastgesteld die richting geven aan de uitvoering van de Wmo. Documenten die zijn vastgesteld zijn bijvoorbeeld: de kadernota en de beleidsplannen ‘Samen leven, zorg voor elkaar’. Documenten die nog worden vastgesteld, zullen onder andere betrekking hebben op de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers en op de bescherming van privacy. Verder zullen (naar verwachting) ook raads- en college- programma’s hun stempel drukken op het beleid in het kader van de Wmo.

Dit besluit bevat geen hardheidsclausule. Wel geldt artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht. Op grond van dit artikel moet het college ten gunste van de burger afwijken van gestelde beleidsregels als toepassing van de beleidsregels gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dit maakt het opnemen van een hardheidsclausule overbodig.

Artikel 1. Nadere regels voor het pgb

1.

Een pgb wordt enkel verstrekt als daarmee het resultaat, bedoeld in artikel 8 lid 1 van de verordening kan worden bereikt.

2.

Een belanghebbende die een pgb wenst, dient aannemelijk te maken dat er sprake is van het gestelde in het vorige lid.

3.

Een belanghebbende die een pgb wenst, dient daarbij eveneens aannemelijk te maken dat de kwaliteit, bedoeld in artikel 2.3.6, lid 2, onder c van de Wmo, voldoende is gewaarborgd.

4.

Het college baseert het oordeel, bedoeld in artikel 2.3.6, lid 2, onder a en c van de wet, in belangrijke mate op de informatie die zij op basis van lid 2 en lid 3 van de belanghebbende heeft ontvangen.

5.

Het college stelt de hoogte van het pgb, met inachtneming van artikel 10 lid 2, lid 3 en lid 4 van de verordening, bij iedere aanvraag afzonderlijk aanvraag vast.

6.

Het college stelt, voorafgaande aan de besteding, de hoogte van het pgb voorlopig vast via de verleningsbeschikking.

7.

Het college stelt achteraf of na verloop van een vooraf gestelde periode, de hoogte van het pgb definitief vast via de vaststellingsbeschikking.

8.

De hoogte van het pgb voor dienstverlening komt overeen met het betreffende tarief voor zorg in natura.

9.

De hoogte van het pgb kan, in afwijking het vorige lid of in afwijking van artikel 10 lid 4 van de verordening, in samenspraak met de belanghebbende lager worden vastgesteld, als duidelijk is dat de belanghebbende in staat is met dit lagere budget het resultaat bedoeld in lid 1 ter bereiken.

10.

De hoogte van het pgb overstijgt het tarief bedoeld in artikel 8 of de kostprijs bedoeld in artikel 10 lid 4 van de verordening niet, tenzij zwaarwegende argumenten daar om vragen.

11.

De budgethouder legt de afspraken met een zorgverlener via een overeenkomst vast. De budgethouder stuurt een afschrift van iedere overeenkomst aan de Sociale verzekeringsbank en de gemeente.

12.

Het is de budgethouder toegestaan kosten van bemiddeling, administratiekosten, en reiskosten voor woon-werkverkeer van het pgb te betalen.

13.

Het tarief voor dienstverlening, betrokken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 10 lid 5 van de verordening, bedraagt maximaal € 20,- per uur.

Toelichting:

Deze nadere regels zijn een uitwerking van artikel 10 Verordening Wet maatschappelijk ondersteuning gemeente Schiermonnikoog 2015. Het college geeft hiermee invulling aan het zesde lid van dit artikel:

“Artikel 10. Regels voor pgb

Lid 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

Lid 2. Het tarief voor een pgb:

a. is gebaseerd op een door de belanghebbende opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen.

Lid 3. De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten

Lid 4. De hoogte van een pgb voor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdend met onderhoud en verzekering.

Lid 5. Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden betreffende het tarief, een belanghebbende aan wie een pgb wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Het betreft een situatie die de gebruikelijke mantelzorg overstijgt.

Lid 6. Het college werkt lid 1 tot en met 5 uit in een regeling.”

Een belanghebbende die een maatwerkvoorziening op basis van de Wmo 2015 krijgt toegekend, heeft onder voorwaarden het recht om te kiezen voor een pgb. Hiermee kan deze inwoner dus zelf (als budgethouder) ondersteuning, hulpmiddelen of voorzieningen inkopen, passend bij zijn specifieke wensen. Hij of zij hoeft dan geen gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente voor het betreffende gebied heeft ingekocht. Het voordeel van een pgb is dat de betrokkene optimaal zelf regie heeft over zijn eigen ondersteuning. Hij/zij kan bijvoorbeeld kiezen voor een kleine zorgaanbieder in een ander gebied, maar ook voor het financieren van hulp uit het eigen sociale netwerk (zie ook hierna). Het zelf gekozen zorgaanbod kan in bepaalde gevallen beter passend en goedkoper zijn (meer op maat uitgekozen). Overigens is de keuzevrijheid voor een pgb in de Wmo 2015 iets ruimer dan die in de Jeugdwet.

In de Wmo 2015 (artikel 2.3.6, lid 2) staat dat de gemeente moet beoordelen of een belanghebbende voldoet aan een aantal voorwaarden:

  • -

    De belanghebbende dan wel zijn vertegenwoordiger moet in staat zijn om de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren.

  • -

    Het zorgaanbod dat met het pgb wordt ingekocht dient aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden te voldoen (veilig, doeltreffend en cliëntgericht).

Verder dient de belanghebbende te motiveren waarom hij of zij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wil krijgen. Deze voorwaarde dwingt de belanghebbende ertoe vooraf over de consequenties van het pgb na te denken en bewust de keuze daarvoor te maken.

De leden 1 tot en met 4 van bovenstaande nadere regels zijn mede vanuit die gedachte geformuleerd. Zo is het aan de belanghebbende aannemelijk te maken dat het pgb een goede oplossing is voor de geconstateerde hulpvraag, en is het aan de belanghebbende aannemelijk te maken dat kwaliteit hierbij voldoende gewaarborgd is. De bedoeling is niet de gemeente daarmee van verantwoordelijkheden te ontslaan. De nadere regels moeten worden gezien als nadere concretisering van het bepaalde in artikel 2.3.6, lid 2 Wmo 2015. Zij geven aan hoe na te gaan of de belanghebbende/cliënt in staat is de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren.

De gemeente toetst een verzoek om een pgb op de genoemde voorwaarden. Dit gebeurt tijdens een gesprek met een medewerker van het gebiedsteam. De gemeente toetst daarbij ook of de beoogde aanbieders, waaronder ook niet-professionals zoals personen uit het eigen sociale netwerk, in staat zijn voldoende kwaliteit te leveren. De gemeente bepaalt zo of een aanbieder toegelaten wordt om via het pgb ondersteuning te leveren. Hierbij wordt ook gelet op dreigende overbelasting van mantelzorgers en andere personen uit het eigen sociale netwerk. Wordt dreigende overbelasting vermoed, dan wordt daarmee rekening gehouden. Dit kan betekenen het niet-toelaten van de persoon als aanbieder, maar ook het in het ondersteuningsplan opnemen van maatregelen met het doel overbelasting te voorkomen.

Wordt een pgb verleend, dan houdt de gemeente daarna in beeld of daarmee het beoogde resultaat wordt bereikt. Hiervoor wordt minimaal één keer per jaar samen met de belanghebbende nagegaan of het pgb goed is ingezet, en worden afspraken gemaakt voor het vervolg.

Met de hoogte van het pgb is bewust aansluiting gezocht bij de tarieven van Zorg in Natura. Bij de vaststelling van het pgb wordt van deze tarieven uitgegaan, tenzij het in een bepaalde situatie vooraf duidelijk is dat met het pgb veel goedkoper het gewenste resultaat kan worden bereikt. Als het om een pgb gaat, dan kan er onderscheid worden gemaakt tussen een pgb voor een zaak (zoals een rolstoel of een scootermobiel), en een pgb voor dienstverlening (zoals begeleiding). Voor het pgb voor een zaak is via de Wmo verordening (artikel 10, lid 4) vastgelegd, dat de hoogte ervan wordt bepaald door de kostprijs van het hulpmiddel als die op dat moment in natura zou zijn verstrekt. Voor het pgb voor dienstverlening geldt op basis van de nadere regels eigenlijk hetzelfde. De systematiek onder de tarieven voor dienstverlening is echter een andere, mede doordat er met vaste bedragen (bouwstenen) wordt gewerkt en (om aanbieders ruimte tot handelen te geven) er maar beperkt onderscheid in vormen van ondersteuning wordt gemaakt. Deze systematiek werkt door in de hoogte van het pgb voor dienstverlening; ook die wordt aan de hand van de bouwstenen bepaald. Deze bouwstenen zijn all-in tarieven en dus inclusief componenten als salaris, vervanging tijdens vakantie, eindejaarsuitkering, verzekeringen en reiskosten.

Uitzonderlijke situatie kunnen om een hoger pgb vragen. Dat zal echter alleen in situaties zijn waarbij de ingekochte Zorg in Natura geen goede oplossing biedt. In situaties waarbij het pgb een veel goedkoper alternatief is voor Zorg in Natura, kan het pgb in goed onderling overleg ook lager worden vastgesteld. Dit voorkomt het onnodig verstrekken en terugvragen van budget.

De budgethouder mag, zoals ook uit het bovenstaande blijkt, het pgb gebruiken voor het financieren van ondersteuning door personen uit het eigen sociale netwerk. Dit voor zover het ondersteuning is die redelijkerwijs niet gratis door aanwezige huisgenoten of het beschikbare eigen netwerk kan worden gegeven!

Wat redelijkerwijs wel of niet (gratis) van iemands eigen netwerk mag worden verwacht, verschilt per situatie. Het is mede daarom niet mogelijk daarvoor op voorhand sluitende criteria te geven. Sluitende criteria sluiten bovendien niet aan bij het streven naar maatwerk. Als richtlijn geldt, dat wat algemeen gebruikelijk is. Maar hier moeten uitzonderingen op kunnen worden gemaakt. Duidelijk is, dat er grenzen zijn aan wat iemand gratis van een ander kan vragen. Het is echter niet gebruikelijk dat echtgenoten (of partners) elkaar voor hulp en ondersteuning betalen. Datzelfde geldt voor ouders en kinderen. Eén en ander komt echter weer in een ander daglicht te staan als iemand minder gaat werken om hulp en ondersteuning te kunnen bieden.

Mogelijk dat er vanuit de uitvoeringspraktijk wel richtlijnen op dit gebied ontstaan. Die kunnen dan eventueel als zodanig worden vastgesteld.

Het is belangrijk op casusniveau vooraf duidelijkheid te hebben of, en in welke mate, het de budgethouder wordt toegestaan, vanuit het pgb een vergoeding te geven aan het eigen netwerk. De medewerker van het gebiedsteam bespreekt dit met de budgethouder. En afspraken hierover worden vastgelegd. Om ongewenste praktijken te voorkomen, geldt voor (boven gebruikelijke) ondersteuning uit het eigen netwerk in principe een maximumtarief van € 20,- per uur. Dit tarief verhoudt zich tot het maximum tarief voor niet-professionele zorg, zoals dat in de Zorgverzekeringswet wordt gehanteerd.

Het pgb wordt niet rechtstreeks overgemaakt op de rekening van de budgethouder. Dit is wettelijk geregeld om misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s tegen te gaan. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) doet de betalingen, namens de gemeente, rechtstreeks aan de zorgaanbieder.

Artikel 2. Nadere regels voor de eigen bijdrage

  • 1.

    De eigen bijdrage voor het gebruik van een algemene voorziening, bedoeld in artikel 11, lid 1 aanhef en onder a Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Schiermonnikoog 2015, bedraagt het bedrag dat de betreffende aanbieder voor deelname aan de deelnemer in rekening brengt, inclusief het bedrag voor eventuele consumpties en materialen

  • 2.

    De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening, bedoeld in artikel 11, lid 1 aanhef en onder b Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Schiermonnikoog 2015, bedraagt voor een ongehuwde het bedrag als eerste genoemd in artikel 3.8 lid 1 onder a Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, met dien verstande:

    • a.

      dat dit bedrag, indien het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, meer bedraagt dan het bedrag genoemd onder sub a 1° van artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 11,25% van het verschil tussen dat inkomen en het bedrag genoemd onder sub a 1° van artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

    • b.

      dat dit bedrag, indien het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, meer bedraagt dan het bedrag genoemd onder sub a 2° van artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 11,25% van het verschil tussen dat inkomen dan het bedrag genoemd onder sub a 2° van artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 3.

    De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening, bedoeld in artikel 11, lid 1 aanhef en onder b Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Schiermonnikoog 2015, bedraagt voor een gehuwde en gehuwden tezamen het bedrag als eerste genoemd in artikel 3.8 lid 1 onder b Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, met dien verstande:

    • a.

      dat dit bedrag, indien het gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, meer bedraagt dan het bedrag genoemd onder sub b 1° van artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en een van beiden of beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt of nog niet hebben bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 11,25% van het verschil tussen dat inkomen en het bedrag genoemd onder sub b 1° van artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

    • b.

      dat dit bedrag, indien het gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, meer bedraagt dan het bedrag genoemd onder sub b 2° van artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en een van beiden of beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt of nog niet hebben bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 11,25% van het verschil tussen dat inkomen en het bedrag genoemd onder sub b 2° van artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 4.

    In uitzondering op lid 2 en 3 van dit artikel is de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening nihil ingeval de situatie van de belanghebbende voldoet aan 2 van de 3 hierna genoemde kenmerken of daaraan zal gaan voldoen:

    • a.

      er is sprake van sociaal psychische problematiek met overlast voor de omgeving tot (mogelijk) gevolg;

    • b.

      er is sprake van hulpverlening primair gericht op het winnen van vertrouwen van de persoon in kwestie, dan wel het verleiden van die persoon hulp te accepteren;

    • c.

      het is aannemelijk, dat het opleggen van een eigen bijdrage het slagen van de hulpverlening in de weg zal gaan staan.

  • 5.

    In uitzondering op lid 2 en 3 van dit artikel is de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening nihil ingeval de belanghebbende op voorhand heeft kunnen aantonen bijvoorbeeld door schulden onvoldoende financiële middelen te hebben voor het betalen van een eigen bijdrage.

  • 6.

    De kostprijs voor een maatwerkvoorziening, bedoeld in artikel 11, lid 3 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schiermonnikoog 2015 bedraagt € 25,- per uur ingeval het individuele dienstverlening betreft ter ondersteuning van het participeren of het zelfredzaam zijn.

  • 7.

    De kostprijs bedoeld in het vorige lid bedraagt € 6,25 per uur ingeval het dienstverlening ter ondersteuning van het participeren betreft die groepsgewijs wordt geleverd.

Toelichting:

Deze nadere regels zijn een uitwerking van artikel 11 Verordening Wet maatschappelijk ondersteuning gemeente Schiermonnikoog 2015. Het college geeft hiermee invulling aan het tweede lid van dit artikel:

“Artikel 11. Eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen

Lid 1. Een belanghebbende is een bijdrage in de kosten verschuldigd:

a. voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, en,

b. voor een maatwerkvoorziening (zorg in natura dan wel pgb).

Lid 2. Het college bepaalt bij nadere regeling:

a. voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, de belanghebbende een bijdrage is verschuldigd;

b. wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage is; en

c. dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, en degene die anders dan als ouder, samen met de ouder het gezag uitoefent over een belanghebbende.

d. op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening (zorg in natura dan wel pgb) wordt bepaald.

Lid 3. De kostprijs van een maatwerkvoorziening en of het (jaarlijkse) onderhoudscontract wordt afgeleid van een vastgesteld normbedrag (bijvoorbeeld een eenheidsprijs van het kernassortiment), een goedgekeurde offerte, of de met de leverancier overeengekomen huur- of koopprijs of uurtarief.

Lid 4. In geval van koop van een voorziening door het college bestaat de kostprijs van een voorziening uit de economische afschrijving van de voorziening, vermeerderd met het beheer- en onderhoudstarief. Mocht er na het verstrijken van de periode voor de economische afschrijving een vervangende voorziening ingezet moeten worden, dan gaat de periode van betaling van een eigen bijdrage voor dit deel opnieuw in.

Lid 5. Bij voorzieningen die in bruikleen worden verstrekt en waarvoor de gemeente huur betaalt geldt een eigen bijdrage zolang iemand de voorziening gebruikt.

Lid 6. Bij voorzieningen die in bruikleen worden verstrekt en die door de gemeente zijn gekocht is een eigen bijdrage verschuldigd op basis van de economische afschrijving en het onderhoudscontract. De eigen bijdrage op basis van de afschrijvingstermijn is verschuldigd gedurende:

- het gebruik van hulpmiddelen uit het kernassortiment

- de economische levensduur in geval van hulpmiddelen buiten het kernassortiment.

Lid 7. De eigen bijdrage over het door de gemeente te betalen onderhoudscontract voor een hulpmiddel is verschuldigd zolang de voorziening technisch nog niet is afgeschreven en nog door aanvrager wordt gebruikt.”

Binnen de Wmo 2015 zijn er twee soorten eigen bijdragen die gevraagd kunnen worden voor ondersteuning vanuit de Wmo: de eigen bijdrage voor een algemene voorziening, én de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening. Voor 2015 kende de Wmo geen bijdrage voor algemene voorzieningen.

De Wmo bepaalt dat het mogelijk is eigen bijdragen te vragen tot maximaal de kostprijs van een voorziening. Voor maatwerkvoorzieningen geldt bovendien het (landelijke) Besluit maatschappelijke ondersteuning (Bmo) 2015. Ook daarin wordt aangegeven tot welk bedrag gemeenten eigen bijdragen kunnen vragen.

De nadere regels bepalen hoe een eigen bijdrage wordt vastgesteld. Voor een algemene voorziening is de eigen bijdrage (gewoon) het bedrag wat een inwoner voor deelname moet betalen. Dit bedrag zal per voorziening verschillen en wordt in beginsel door de aanbieder bepaald. Is de gemeente mede organisator en/of financier van de algemene voorziening, dan bepaalt het college via die lijn mede de hoogte van het bedrag.

De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening is het bedrag wat, op grond van het Bmo, maximaal van een belanghebbende kan worden geïnd. Dit is continuering van het beleid op dit gebied van vóór 2015.

Bij maatwerkvoorzieningen voert het Centraal Administratie Kantoor (CAK) de inning en verdere afhandeling van de eigen bijdragen uit. Dit is wettelijk voorgeschreven. Het CAK hanteert een systematiek waarbij de bijdrage automatisch wordt berekend op basis van verzamelinkomen en vermogen. Het CAK hanteert hierbij het anti-cumulatiebeding. Dit houdt in dat er naar het totaal van de eigen bijdragen gekeken wordt die iemand op grond van zowel de Wmo als de Wet langdurige zorg moet betalen. Dit totaal mag, afhankelijk van het inkomen en vermogen van de betrokkene, niet boven een bepaald maximum uitkomen.

Artikel 3. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

  • 1.

    Burgers die voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden kunnen in aanmerking komen voor de Regeling Tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken en gehandicapten:

    • a.

      Op het moment van aanvraag ingeschreven staat in de gemeente Dantumadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel, Kollumerland c.a. of Schiermonnikoog én

    • b.

      In het betreffende kalenderjaar 18 jaar of ouder is én

    • c.

      Inkomen heeft die na toetsing door het CAK valt onder de laagste inkomenscategorie voor de betaling van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage van het betreffende kalenderjaar én

    • d.

      Indicatie heeft voor de Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo) én

    • e.

      Een inkomensafhankelijke eigen bijdrage betaalt via het CAK én

    • f.

      Geen gebruik maakt van de collectieve ziektekostenverzekering voor minima.

  • 2.

    Deze financiële tegemoetkoming bedraagt een forfaitair bedrag van € 220,- per persoon per kalenderjaar.

  • 3.

    Het college toetst of een aanvraag kan worden gehonoreerd op basis van de laatste factuur die is betaald aan het CAK voor een eigen inkomensafhankelijke bijdrage voor een Wmo-voorziening. Hieruit moet blijken dat de aanvrager onder de laagste inkomenscategorie valt.

  • 4.

    De aanvraagprocedure loopt van 1 januari tot en met 31 maart van het voorgaande kalenderjaar.

  • 5.

    De regeling treedt in werking op 1 januari 2016.

Toelichting:

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 12 uit de Wmo-verordening 2015, waarbij een tegemoetkoming voor bijzondere meerkosten voor chronisch zieken en gehandicapten mogelijk wordt gemaakt.

Per 1 januari 2015 kunnen inwoners met een inkomen tot maximaal 120% van de WWB-norm gebruik maken van een uitgebreide collectieve ziektekostenverzekering. Deze verzekering kent een uitgebreider aanvullend pakket, waardoor inwoners in aanmerking komen voor vergoeding van diverse meerkosten door ziekte of beperking. Zo wordt onder meer de eigen bijdrage Wmo vergoed. Om deze reden worden de gebruikers van deze collectieve ziektekostenverzekering voor minima uitgesloten van de regeling Tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken en gehandicapten.

Inwoners die niet aansluiten bij deze collectieve verzekering, kunnen via de regeling Tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken en gehandicapten alsnog voor een forfaitaire vergoeding van meerkosten in aanmerking komen

Lid 2 stelt een vast bedrag per jaar vast, gebaseerd op de maximale eigen inkomensafhankelijke bijdrage CAK.

Lid 3. Het CAK heeft in dit kader het (gezamenlijk) inkomen en vermogen al getoetst. Bij nieuwe gevallen wordt een beschikking afgegeven onder voorbehoud van de toetsing van het (verzamel)inkomen door het CAK, waaruit moet blijken dat de aanvrager in de laagste inkomenscategorie valt. De peildatum is 31 december van het betreffende jaar.

Artikel 4. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Het college besluit jaarlijks waaruit de blijk van waardering, bedoeld in artikel 13, lid 1, Verordening Wet maatschappelijk ondersteuning gemeente Schiermonnikoog 2015, zal bestaan.

  • 2.

    Het college houdt bij de uitvoering van lid 1 rekening met de wensen en behoeften van mantelzorgers.

Toelichting:

Deze nadere regels zijn een uitwerking van artikel 13 Verordening Wet maatschappelijk ondersteuning gemeente Schiermonnikoog 2015. Het college geeft hiermee invulling aan het eerste lid van dit artikel:

Artikel 13. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Lid 1. Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van belanghebbenden in de gemeente bestaat.

Lid 2. Het college legt jaarlijks verantwoording af aan de raad.

Mantelzorgers worden vanaf 2015 ‘jaarlijks gewaardeerd’. Het is goed ieder jaar opnieuw te bepalen waaruit die waardering zal bestaan. Zo kan steeds opnieuw worden nagegaan waar mantelzorgers behoefte aan hebben en kunnen mantelzorgers mogelijk positief worden verrast.

Het college houdt rekening met de wensen en behoeften van mantelzorgers. Dit kan bijvoorbeeld door mantelzorgers, vertegenwoordigers van mantelzorgers, of mantelzorgondersteuners te raadplegen.Artikel 5. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders van dienstverlening beschikken over een regeling voor medezeggenschap als die dienstverlening in het algemeen leidt tot een relatie met cliënt voor langere periode

  • 2.

    Het gestelde in lid 1 wordt aanbieders verplicht gesteld als onderdeel van een aanbesteding.

Toelichting :

Deze nadere regels zijn een uitwerking van artikel 18 Verordening Wet maatschappelijk ondersteuning gemeente Schiermonnikoog 2015. Het college geeft hiermee invulling aan het eerste lid van dit artikel:

“Artikel 18. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Lid 1. Het college bepaalt ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap als bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 sub f van de wet nodig is, en treft vervolgens maatregelen op te bereiken dat die regeling wordt ingesteld.

Lid 2 Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.”

Medezeggenschap gaat in dit geval over het betrekken (meepraten en laten adviseren) van cliënten bij beleidsbeslissingen van aanbieders (zie ook artikel 2.1.3 lid 2 sub f van de Wet). Het betrekken van cliënten hierbij, kan de kwaliteit van de dienstverlening verhogen. Veel aanbieders zien dit en hebben om die reden medezeggenschap bijvoorbeeld al via een cliëntenraad geregeld.

Medezeggenschap is vooral belangrijk als er een langdurige relatie tussen cliënt en aanbieder ontstaat. Dit is bijvoorbeeld het geval bij ondersteuningsvormen als begeleiding. Aan aanbieders van dergelijke vormen van dienstverlening wordt bij volgende aanbestedingen gevraagd te zorgen voor medezeggenschap. Aan aanbieders van bijvoorbeeld hulpmiddelen of woningaanpassingen zal dit niet worden gevraagd. Ook al kan ook daar, door bijvoorbeeld het sluiten van een onderhoudscontract, sprake zijn van een langdurige relatie. Uiteraard staat het dergelijke aanbieders vrij medezeggenschap wel te organiseren.

Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze regels treden in werking met ingang van 1 januari 2015 en gewijzigd op 18 juli 2016.

  • 2.

    Deze regels worden aangehaald als: Besluit Nadere regels Wmo 2015 gemeente Schiermonnikoog.

Verheldering

Criteria voor het verstrekken van voorzieningen

In het nieuwe sociale domein ligt de focus op het behalen van resultaten. Oftewel het helpen van inwoners met het oplossen van hun hulpvraag. Dit kan preventief, bijvoorbeeld door te werken aan vergroting van de eigen kracht en eigen mogelijkheden van inwoners en/of hulpvragers. Maar ook door in individuele situaties zogenaamde maatwerkvoorzieningen te verstrekken.

De gemeenten in Noordoost Fryslân hebben er bewust voor gekozen het aantal regels voor verstrekking van voorzieningen zo beperkt mogelijk te houden. Dit in de overtuiging dat maatwerk leidt tot een beter resultaat (inwoners die daadwerkelijk meedoen in de samenleving).

Maatwerk ontstaat door hulpvragers en professionals ruimte en vertrouwen te gegeven samen te komen tot adequate oplossingen voor een hulpvraag. Dit vraagt om een flexibele uitvoeringpraktijk waarin regels geen obstakel vormen alternatieve oplossingen te realiseren. Belangrijk hierbij is echter wel een juiste balans te vinden; het is niet de bedoeling een praktijk te laten ontstaan waarin inwoners willekeur en subjectiviteit ervaren.

De criteria die voor maatwerkvoorzieningen gelden, zijn vastgesteld vanuit bovenstaand gedachtegoed. De geldende criteria zijn te vinden in de wet, de verordening en in de nadere regels. Op diverse plekken dus. Om wat meer overzicht te geven, worden de meest belangrijke hieronder opgesomd:

  • -

    De cliënt ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie

  • -

    De cliënt met psychische of psychosociale problemen, en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, ondervindt problemen bij het zich handhaven in de samenleving

  • -

    De cliënt kan de problemen niet op eigen kracht opheffen of verminderen

  • -

    De cliënt kan de problemen niet met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk opheffen of verminderen

  • -

    De cliënt kan de problemen niet met algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen opheffen of verminderen

  • -

    De voorziening levert een passende bijdrage aan de oplossing van het probleem van de cliënt

  • -

    De keuze van de voorziening wordt in samenspraak met de cliënt gemaakt

  • -

    Bij de keuze van de voorziening wordt rekening gehouden met de omstandigheden en de mogelijkheden van de cliënt

  • -

    De voorziening past in het (eventuele) persoonlijk- of gezinsplan

  • -

    De voorziening is van voldoende kwaliteit

  • -

    Een pgb wordt alleen verstrekt als de cliënt (of zijn vertegenwoordiger) in staat is daarmee om te gaan

Deze opsomming is uiteraard niet limitatief. Bovendien is de praktijk vaak weerbarstig, wat om striktheid (nadere concretisering) of juist soepelheid bij het toepassen van criteria kan vragen. Om de nodige objectiviteit hierin veilig te stellen, worden in de uitvoering waarborgen hiervoor ingebouwd. Zo worden de medewerkers van de gebiedsteams in hun werk gecoached, wisselen zij via casusoverleg ervaringen uit, en zijn advisering en toewijzing van voorzieningen in principe functioneel van elkaar gescheiden. Het monitoren van, en bijsturen in dergelijke waarborgen, is in de praktijk een continu proces.

Second opinion, bezwaar en klachten

De professional van het gebiedsteam is cliëntondersteuner. In onze werkwijze wordt er vanuit gegaan dat de belanghebbende/hulpvrager en deze professional samen oplossingen vinden voor een hulpvraag. In de praktijk zal dit meestal ook zo gaan. Maar uiteraard zullen er ook situaties zijn waarbij de hulpvrager en de professional er niet samen uitkomen.

De verordening biedt, voor de situaties dat de hulpvrager en de professional er samen niet uitkomen, de mogelijkheid van een second opinion (artikel 17 lid 4). Zo’n second opinion houdt in dat een andere professional de cliëntondersteuning (eventueel tijdelijk) overneemt en de hulpvrager helpt met het vinden van een oplossing van diens probleem. Als de hulpvrager dat wens, dan kan er een professional uit een ander gebiedsteam worden gevraagd de second opinion uit te voeren. Ook is het voorstelbaar dat zich situaties voordoen waarbij er een professional van buiten wordt ingeschakeld om dit te doen.

De second opinion heeft vooral betrekking op het verloop en/of de uitkomst van het (keukentafel) gesprek. Is de belanghebbende het daarna niet eens met het eventuele besluit (over het wel of niet toekennen van een voorziening), dan kan hij of zij bezwaar maken tegen dit besluit. Dit kan binnen zes weken na verzending van het bericht over dat besluit (de kennisgeving). Een bezwaarschrift wordt beoordeeld door een onafhankelijke commissie. Zij onderzoeken of het besluit terecht of op goede gronden is genomen en adviseren het college daarover. Tegen het besluit op bezwaar kan in beroep worden gegaan.

Het kan ook zijn dat een inwoner zich benadeeld voelt door een handeling van een persoon of een organisatie. Het is dan mogelijk een klacht in te dienen. Dit kan bijvoorbeeld tegen een gedraging van een professional. Maar ook tegen de wijze waarop een leverancier uitvoering geeft aan een besluit. Binnen het sociale domein is het tot nu toe gebruikelijk dat organisaties (gemeenten en leveranciers) allen een eigen klachtenregeling hebben. Dat is met de decentralisaties niet veranderd. De verordening (artikel 17) voorziet echter in de mogelijkheid een klacht centraal bij het gebiedsteam in te dienen. Daar wordt dan bekeken welke klachtenregeling van toepassing is, oftewel bij welke organisatie de klacht thuis hoort. Het gebiedsteam draagt de klacht vervolgens over aan de juiste organisatie en houdt in de gaten dat de klacht door die organisatie wordt afgehandeld.