Regeling Beleidsregels inkomstenvrijlating Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2016

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding01-06-2016
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding
  • BetreftOnbekend
  • Datum ondertekening24-05-2016
  • Bron bekendmakingofficielebekendmakingen.nl en gemeentelijke nieuwsbrief
  • Kenmerk voorstelOnbekend

Inleiding

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiermonnikoog,

Gelet op artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r van de Participatiewet, artikel 8, tweede lid van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 8, derde lid van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,

Gelezen het advies van de Cliëntenraad d.d. 25 april 2016,

Besluit vast te stellen de navolgende Beleidsregels inkomstenvrijlating Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2016.

Artikel 1 – Definities

1.

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    College: het college van burgemeester en wethouders;

  • b.

    inkomsten uit arbeid: inkomsten uit algemeen geaccepteerde deeltijdarbeid. Als inkomsten uit arbeid worden mede aangemerkt:

    • i.

      doorbetaling van loon door de werkgever tijdens ziekte;

    • ii.

      een uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg of de Ziektewet in verband met ziekte als gevolg van zwangerschap en bevalling;

    • iii.

      inkomsten uit arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep als deeltijdzelfstandige.

  • c.

    inkomstenvrijlating: de inkomstenvrijlating bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n van de Participatiewet, artikel 8, tweede lid van de Ioaw en artikel 8, derde lid van de Ioaz;

  • d.

    inkomstenvrijlating alleenstaande ouder: de inkomstenvrijlating bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder r van de Participatiewet, artikel 8, vijfde lid van de Ioaw en artikel 8, negende lid van de Ioaz;

  • e.

    inkomstenvrijlatingen: de inkomstenvrijlating en de inkomstenvrijlating alleenstaande ouder;

  • f.

    inlichtingenplicht: de inlichtingenplicht als bedoeld artikel 17 Participatiewet, artikel 13 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, of artikel 13 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Artikel 2 – Recht op inkomstenvrijlating

1.

Het college stelt het recht op een inkomstenvrijlating ambtshalve, of wanneer dit niet mogelijk is, op schriftelijke aanvraag vast.

2.

Voor toepassing van een inkomstenvrijlating dienen de inkomsten uit arbeid in deeltijd tezamen met andere inkomensbestanddelen niet hoger te zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag.

3.

De inkomstenvrijlatingen worden éénmaal per uitkeringsperiode toegekend. Als dezelfde uitkeringsperiode wordt aangemerkt:

  • a.

    de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet;

  • b.

    de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van de onderbreking;

  • c.

    de situatie waarin sprake is van aaneengesloten voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente werd verstrekt;

  • d.

    de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie de uitkering naar een andere norm wordt voortgezet.

4.

Indien een nieuwe uitkeringsperiode minder dan zes maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating aanvangt, ontstaat geen nieuw recht op de inkomstenvrijlating.

5.

Indien een nieuwe uitkeringsperiode minder dan 30 maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating alleenstaande ouder aanvangt, ontstaat geen nieuw recht op inkomstenvrijlating alleenstaande ouder.

6.

De zes maanden waarin de inkomstenvrijlating wordt toegepast liggen binnen een periode van maximaal 24 aaneengesloten maanden.

Artikel 3 – Bijdragen aan arbeidsinschakeling

De inkomstenvrijlating draagt slechts bij aan de arbeidsinschakeling indien de inkomsten uit arbeid een duurzaam karakter hebben, dan wel uitzicht bieden op een duurzaam inkomen uit arbeid.

Artikel 4 -Geen recht op inkomstenvrijlating

Geen recht op inkomstenvrijlating bestaat voor:

  • a.

    Inkomsten die de uitkeringsgerechtigde bij aanvang van de uitkering al verwierf;

  • b.

    inkomsten die voortvloeien uit illegale activiteiten;

  • c.

    Inkomsten waarvan geen of geen volledige opgave is gedaan waardoor er sprake is geweest van een schending van de inlichtingenplicht.

Artikel 5 – Herziening, intrekking en terugvordering

1.

Het college kan een recht op een inkomstenvrijlating herzien of intrekken als:

  • a.

    het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte toepassen van een inkomstenvrijlating op de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag van een uitkeringsgerechtigde;

  • b.

    als anderszins een inkomstenvrijlating ten onrechte op de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag van een uitkeringsgerechtigde toegepast is.

2.

Als het college een besluit tot herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid genomen heeft, herziet het college het recht op bijstand/uitkering of trekt deze in overeenkomstig artikel 54 lid 3 Participatiewet of artikel 17 IOAW en IOAZ in en vordert de ten onrechte of te hoog verstrekte bijstand/uitkering terug.

Artikel 6 - Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 juni 2016.

  • 2.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels inkomstenvrijlating Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2016”

Toelichting algemeen

Met ingang van 1 april 2016 zijn de bepalingen in de Participatiewet, Ioaw en Ioaz met betrekking tot de vrijlating van inkomsten verruimd. Er hoeft niet meer sprake te zijn van een aaneengesloten periode van zes of dertig maanden. Gemeenten moeten de mogelijkheid hebben om in individuele gevallen te bepalen dat een deel van de inkomsten uit arbeid gedurende een beperkte periode niet worden verrekend met de bijstand. De vrijlating is bedoeld als stimulans voor personen in de bijstand om naar betaalde arbeid uit te stromen en in dat kader - ook - deeltijdwerk te aanvaarden. Voor eenduidige toepassing van deze bevoegdheid zijn deze beleidsregels opgesteld.

Er bestaan drie vrijlatingen van inkomsten uit arbeid:

  • 1.

    inkomsten uit arbeid tot 25% van deze inkomsten waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling.

  • 2.

    inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5% van deze inkomsten gedurende een periode van maximaal 30 maanden, ingeval hij de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar, de periode van zes maanden is verstreken, en dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling. De vrijlating voor een alleenstaande ouder met een kind tot 12 jaar duurt in totaal maximaal drie jaar. Dit sluit aan bij het gegeven dat alleenstaande ouders vanwege de combinatie van werk en zorgtaken langer de tijd nodig hebben dan alleenstaanden of gehuwden om hun arbeidsuren uit te breiden en zo uit te stromen. Een half jaar is voor hen te kort. De regering is van mening dat uitstroom uit de bijstand door urenuitbreiding of het krijgen van een hoger uurloon binnen drie jaar bereikt zou moeten kunnen worden.

  • 3.

    inkomsten uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15% van deze inkomsten uit arbeid voor zover hij algemene bijstand ontvangt, tenzij een van de onder 1 of 2 genoemde vrijlatingen van toepassing is. Deze vrijlating valt niet onder deze beleidsregels. Het UWV verricht voor het college de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een belanghebbende medisch urenbeperkt is en adviseert het college hierover (artikel 6b lid 4 Participatiewet).

Voor de inkomstenvrijlatingen gelden maximale bedragen per maand. De vrijlating onder 1 en 2 geldt niet voor jongeren (artikel 31 lid 7).

Bijdragen aan arbeidsinschakeling

De inkomstenvrijlating kan worden toegepast als deze naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Dit begrip is in de Participatiewet gedefinieerd als “het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening” (zoals bijvoorbeeld gesubsidieerde arbeid).

Of een inkomensvrijlating bijdraagt aan dit doel vergt in principe een individuele beoordeling. In het algemeen kan gesteld worden dat de arbeid een duurzaam karakter, dan wel de intentie tot zo’n duurzaam karakter moet hebben voor gesproken kan worden over de bijdrage aan arbeidsinschakeling. Om deze reden kan niet alle arbeid leiden tot toepassing van de inkomstenkorting. Denk hierbij bijvoorbeeld aan kortdurende oproeparbeid, of uitzendwerk waarvan op voorhand vaststaat dat dit kortdurend zal zijn.

Overgangsrecht

In het nieuwe artikel 78ab Participatiewet is overgangsrecht geregeld. Daarom is in deze beleidsregels geen overgangsrecht opgenomen.

Toelichting artikelsgewijs

Artikel 1 – Definities

Tweede lid, onderdeel b

De vrijlating geldt alleen voor inkomsten uit arbeid. Dit betekent dat er daadwerkelijk arbeid verricht moet worden. Een aantal inkomstensoorten wordt mede als inkomsten uit arbeid aangemerkt, namelijk de loondoorbetaling door de werkgever tijdens ziekte en uitkeringen in verband met ziekte als gevolg van zwangerschap en bevalling. Ook inkomsten uit zelfstandige activiteiten in deeltijd kunnen worden vrijgelaten.

Tweede lid, onderdelen c, d en e

Onder deze beleidsregels valt niet de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2 onder z Participatiewet (en gelijke strekking in IOAW en IOAZ). Dat is de structurele vrijlating voor de persoon met een medische urenbeperking. Het college heeft bij deze vrijlating geen beleidsruimte. Het UWV verricht voor het college de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een belanghebbende medisch urenbeperkt is en adviseert het college hierover (artikel 6b lid 4 Participatiewet).

Artikel 2 – Recht op inkomstenvrijlating

Tweede lid

De inkomstenvrijlating kan in een maand alleen worden toegepast als de totale inkomsten (zonder toepassing van de vrijlating) lager zijn dan de toepasselijke (kostendelers)bijstandsnorm of uitkeringsgrondslag. Met andere woorden: er moet sprake zijn van recht op algemene bijstand. Zie artikel 19, eerste en tweede lid PW. Het gaat om het netto inkomen, exclusief de forfaittaire vakantietoeslag op grond van de artikel 8 tot en met 14 van de Regeling Participatiewet, Ioaw en Ioaz. De vrijlating geldt voor beide partners in een huishouding.

Derde lid

Gelet op de tekst van de overige onderdelen van artikel 31 lid 2 Participatiewet moet aangenomen worden dat het recht op inkomstenvrijlating tijdens de bijstandsverlening slechts één keer per periode van bijstandsverlening bestaat. In tegenstelling tot bijvoorbeeld andere onderdelen van artikel 31 lid 2 ontbreken in artikel 31 lid 2 onderdeel n Participatiewet immers zinsnedes als "per kalenderjaar" of "per jaar". In het tweede lid wordt vastgelegd dat de vrijlatingen eenmalig per uitkeringsperiode toegepast kunnen worden. De uitkeringsperiode wordt begrensd door de ingangsdatum en de beëindigingsdatum van een toegekende uitkering (onderdeel a). Als een uitkeringsperiode tijdelijk wordt onderbroken door verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting worden de periode vóór en ná de onderbreking als één uitkeringsperiode gezien. Het gaat hierbij om onvrijwillige onderbrekingen waarbij mag worden aangenomen dat niet aan re-integratie kon worden gewerkt (onderdeel b). Er mag van worden uitgegaan dat de situatie ná de onderbreking over het algemeen ongewijzigd is gebleven ten opzichte van de situatie vóór de onderbreking.

Vierde en vijfde lid

Het komt voor dat een belanghebbende volledig uitstroomt, maar door omstandigheden opnieuw op een uitkering raakt aangewezen. Er ontstaat dan weer een situatie waarin opnieuw behoefte bestaat aan stimulering naar uitstroom. De omstandigheden die tot de hernieuwde bijstandsbehoefte hebben geleid zijn bij de bijstandstoekenning al beoordeeld. Door toepassing van een ‘bufferperiode’ wordt voorkomen dat iemand nooit volledig uitstroomt en toch meermalen gebruik maakt van de vrijlating.

Zesde lid

In het oorspronkelijke wetsvoorstel was –op verzoek van het Uitvoeringspanel gemeenten- opgenomen om het college de bevoegdheid te geven een nadere periode vast te leggen waarbinnen de maximale duur van zes maanden vrijlating wordt toegepast. Bij amendement is deze bevoegdheid niet in de definitieve wettekst teruggekomen omdat de beperking niet bijdraagt aan het doel om de mogelijkheid tot vrijlating te verruimen.

De zes maanden inkomstenvrijlating wordt binnen een periode van maximaal twee jaren toegepast. Als in die periode nog geen zes maanden inkomstenvrijlating is toegepast kan niet langer gezegd worden dat de inkomstenvrijlating heeft bijgedragen aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende.

Voor de vrijlating voor alleenstaande ouders is een dergelijke begrenzing in tijd niet nodig. De vrijlating eindigt van rechtswege als het jongste kind de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt. Dit sluit aan bij het gegeven dat alleenstaande ouders vanwege de combinatie van werk en zorgtaken langer de tijd nodig hebben dan alleenstaanden of gehuwden om hun arbeidsuren uit te breiden en zo uit te stromen.

Artikel 3 – Bijdragen aan arbeidsinschakeling

De inkomstenvrijlating kan slechts worden toegepast als deze naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Dit begrip is in artikel 6 van de Participatiewet gedefinieerd als “het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening” (zoals bijvoorbeeld gesubsidieerde arbeid). Of een inkomensvrijlating bijdraagt aan dit doel vergt in principe een individuele beoordeling. In het algemeen kan gesteld worden dat de arbeid een duurzaam karakter, dan wel de intentie tot zo’n duurzaam karakter moet hebben voor gesproken kan worden over de bijdrage aan arbeidsinschakeling. Om deze reden kan niet alle arbeid leiden tot toepassing van de inkomstenkorting. Denk hierbij bijvoorbeeld aan kortdurende oproeparbeid, of uitzendwerk waarvan op voorhand vaststaat dat dit kortdurend zal zijn. Zie bijvoorbeeld CRvB 27-04-2010 ECLI:NL:CRVB:2010:BM4484.

Artikel 4 -Geen recht op inkomstenvrijlating

Onderdeel a

Bij aanvang van de uitkering kan soms al sprake zijn van parttime inkomsten. De vrijlating moet mensen stimuleren om [meer] te gaan werken met als resultaat dat de bijstandsafhankelijkheid afneemt of verdwijnt. Daarom geldt de vrijlating niet voor arbeidsinkomsten die er al zijn bij aanvang uitkering.

Onderdeel b

Inkomsten die voortvloeien uit illegale activiteiten worden niet vrijgelaten omdat deze niet bijdragen aan arbeidsinschakeling.

Onderdeel c

Inkomsten die niet of niet volledig zijn opgegeven waardoor er een terugvordering van ten onrechte verleende uitkering plaatsvindt worden niet vrijgelaten omdat een achteraftoepassing van de vrijlating niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

Artikel 5 – Herziening, intrekking en terugvordering

In geval belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht en de inkomsten heeft verzwegen bestaat geen recht op inkomstenvrijlating. Bijvoorbeeld: de belanghebbende heeft inkomsten verzwegen, veelal met het doel een hoger totaalinkomen te verwerven dan wettelijk mogelijk is. Of inkomsten van de belanghebbende als alleenstaande ouder worden vrijgelaten, terwijl hij een gezamenlijke huishouding verzwijgt. De belanghebbende is hiermee gericht op het vergroten van het inkomen en niet op vergroting van zijn kans op arbeidsinschakeling en daarmee (gedeeltelijke) uitstroom uit de bijstandsuitkering. Daarmee kan worden aangenomen dat het toepassen van de inkomstenvrijlating niet bijdraagt aan arbeidsinschakeling van belanghebbende. Het toepassen van de inkomstenvrijlating is in die gevallen dan ook niet aan de orde.

Artikel 6 - Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.