Regeling Beleidsregels individuele inkomenstoeslag gemeente Schiermonnikoog 2015

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding 01-01-2015
  • Terugwerkende kracht t/m
  • Datum uitwerking-treding
  • Betreft Gewijzigde versie (art. 3 op 14 maart 2017). Oude versie niet beschikbaar.
  • Datum ondertekening 01-01-2015
  • Bron bekendmaking Onbekend
  • Kenmerk voorstel Onbekend

Inleiding

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiermonnikoog,

Gelet op artikel 36 van de Participatiewet en artikel 5 van de verordening Individuele inkomenstoeslag gemeente Schiermonnikoog 2015,

Besluit

vast te stellen de beleidsregels individuele inkomenstoeslag gemeente Schiermonnikoog 2015

Artikel 1 Begrippen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    Verordening: de verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Schiermonnikoog 2015.

  • b.

    Wet: Participatiewet.

Artikel 2 Recht op een individuele inkomenstoeslag

Het college verleent een persoon op verzoek een individuele inkomenstoeslag als hij voldoet aan de voorwaarden als opgenomen in artikel 36 van de wet, de verordening en deze beleidsregels.

Artikel 3 Uitzicht op inkomensverbetering

  • 1.

    Uitzicht op inkomensverbetering wordt in ieder geval geacht te hebben de persoon:

  • a.

    die op de peildatum een re-integratietraject volgt bij GR NEF;

  • b.

    aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens het niet of niet voldoende nakomen van de in artikel 9 of artikel 18, vierde lid van de wet bedoelde verplichtingen;

  • c.

    die op de peildatum geen inkomsten uit arbeid heeft en geen vastgestelde belemmeringen heeft om te werken;

  • d.

    die op de peildatum of in de referteperiode onderwijs volgt of heeft gevolgd, studiefinanciering ontvangt of heeft ontvangen op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF) of een tegemoetkoming ontvangt of heeft ontvangen op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS);

  • e.

    die op de peildatum is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

  • 2.

    Geen uitzicht op inkomensverbetering wordt in ieder geval geacht te hebben de persoon:

  • a.

    die op de peildatum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

  • b.

    aan wie op de peildatum een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting op grond van artikel 9, tweede of vierde lid van de wet of artikel 9a van de wet is verleend zolang deze ontheffing wordt verleend.

Artikel 4 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2015

Artikel 5 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels individuele inkomenstoeslag gemeente Schiermonnikoog 2015.

Nota-toelichting

In artikel 36 van de Participatiewet is aangegeven welke beoordelingen het college in ieder geval moet maken om binnen de kaders van de wet en de verordening een individuele inkomenstoeslag te verlenen. Het college moet op grond van artikel 5 van de verordening Individuele inkomenstoeslag gemeenten nadere regels stellen. In deze beleidsregels worden nadere regels gesteld met betrekking tot het begrip ‘uitzicht op inkomensverbetering’ als bedoeld in artikel 36 van de wet.

Artikel 1 – Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk in deze beleidsregels gedefinieerd. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze beleidsregels.

Artikel 2 – Recht op een individuele inkomenstoeslag

Het college verleent een persoon een individuele inkomenstoeslag als hij voldoet aan de voorwaarden die de wet en de verordening daaraan stellen. Deze bepaling is in de beleidsregels opgenomen omdat het verlenen van een individuele inkomenstoeslag een discretionaire bevoegdheid is en geen verplichting.

Artikel 3 - Uitzicht op inkomensverbetering

Het college kan een individuele inkomenstoeslag verlenen als de persoon geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. Gelet op het activerende karakter van de Participatiewet is het uitgangspunt dat een ieder in principe uitzicht heeft op inkomensverbetering. Dit geldt in ieder geval voor de in het eerste lid genoemde personen:

  • .

    personen die een re-integratietraject volgen bij GR NEF worden geacht binnen twaalf maanden na de aanmelding bij GR NEF werkfit te zijn. Deze personen hebben daarom uitzicht op inkomensverbetering en hebben daardoor geen recht op een individuele inkomenstoeslag.

  • .

    personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens het verwijtbaar niet voldoen aan de arbeids- en re-integratieverplichtingen. De referteperiode is in de verordening gedefinieerd als de periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum.

  • .

    personen die op de peildatum geen inkomsten uit arbeid hebben, maar van wie geen belemmeringen zijn vastgesteld om te kunnen werken kunnen door werkaanvaarding hun inkomen verbeteren.

  • .

    studenten worden geacht na beëindiging van hun studie een arbeidsinkomen te verwerven dat meer bedraagt dan de studiefinanciering (TK 31 441, nr.12). Om deze reden hebben zij uitzicht op inkomensverbetering en daardoor geen recht op een individuele inkomenstoeslag.

  • .

    personen die zijn toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) hebben na de looptijd van die schuldsanering (in principe drie jaren) uitzicht op inkomensverbetering omdat zij dan geen afdracht van het inkomen dat meer bedraagt dan het vrij te laten bedrag (WTLB) hoeven te doen. Bovendien wordt voor de berekening van het VTLB sinds juli 2014 de langdurigheidstoeslag als inkomen gezien. Dit geldt vanaf 2015 ook voor de individuele inkomenstoeslag. Een toegekende inkomenstoeslag zal daarom door de bewindvoerder aan de boedel worden toegevoegd en wordt dus niet aan de persoon uitgekeerd. 

    Er zijn groepen van personen te benoemen die geen uitzicht op inkomensverbetering hebben:

  • .

    personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Iemand wordt aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt als hij 20% of minder van zijn oude loon kan verdienen. Er is sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid is als herstel uitgesloten is en er na twee jaar ziekte een geringe kans op herstel is op lange termijn. Voor deze persoon zijn de arbeids-, en re-integratieverplichtingen van de Participatiewet daarom niet van toepassing.

  • .

    Het college kan op grond van dringende redenen tijdelijk ontheffing van de arbeidsverplichtingen verlenen. Ook aan alleenstaande ouders met een kind dat jonger is dan vijf jaar kan het college eenmalig een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting verlenen. Zolang er sprake is van een dergelijke ontheffing van de verplichting algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, aanvaarden en behouden wordt de persoon geacht geen uitzicht op inkomensverbetering te hebben. Wanneer de ontheffing eindigt, herzien of ingetrokken wordt de persoon geacht uitzicht op inkomensverbetering te hebben, tenzij hij tevens een persoon is die genoemd wordt in het tweede lid. Omdat ontheffing van arbeidsverplichtingen alleen tijdelijk worden verleend kan er op enig moment wel uitzicht op inkomensverbetering ontstaan. 

    Het college moet bij het beoordelen van het recht op de individuele inkomenstoeslag ook de omstandigheden van de persoon in aanmerking nemen. Tot deze omstandigheden worden volgens de wettekst in ieder geval gerekend de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die hij heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. De regering benadrukt dat de individuele toeslag alleen is bedoeld voor personen die deze – gelet op hun individuele omstandigheden – echt nodig hebben (MvT p.22). De beoordeling van de krachten en bekwaamheden zit deels opgesloten in de beoordeling van het uitzicht op inkomensverbetering. De beoordeling van de inspanningen die de persoon verricht heeft om tot inkomensverbetering te komen vereist een individuele toets. Dit kan onder andere blijken uit het aantal verrichte realistische sollicitaties, en uit andere activiteiten zoals inschrijvingen bij uitzendbureaus, inschrijving op websites voor werkzoekenden, deelname aan activerings- en re-integratietrajecten, etc. in de referteperiode. Omdat dit een individuele beoordeling vereist worden hiervoor geen algemene beleidsregels opgesteld.

     

    De in het dit artikel genoemde criteria om het uitzicht op inkomensverbetering te beoordelen zijn niet limitatief. Uit het tekstdeel ‘in ieder geval’ volgt dat ook andere criteria in aanmerking genomen kunnen worden.

     

    Artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.