Regeling BELEIDSREGEL TAALEIS 2016 DDFK+S

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

  • Datum inwerking-treding01-03-2016
  • Terugwerkende kracht t/m01-01-2016
  • Datum uitwerking-treding
  • BetreftOnbekend
  • Datum ondertekening01-03-2016
  • Bron bekendmakingwww.officielebekendmakingen.nl en www.schiermonnikoog.nl
  • Kenmerk voorstelOnbekend

Inleiding

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiermonnikoog

Gelet op artikel 18b Participatiewet,

Besluit:

  • 1.

    vast te stellen de Beleidsregel Taaleis 2016 DDFK+S;

  • 2.

    dat dit besluit met terugwerkende kracht in werking treedt met ingang van 1 januari 2016;

  • 3.

    dat dit besluit wordt gepubliceerd in het gemeenteblad de week na besluitvorming.

Schiermonnikoog, 1 maart 2016

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris, de burgemeester,

G.Heeringa D.J. Stellingwerf

Beleidsregel Taaleis 2016 DDFK+S

Inhoudsopgave

Hoofdstuk I Algemeen 3

Hoofdstuk II Kennis van de Nederlandse taal 3

Hoofdstuk III De taaltoets 4

Hoofdstuk IV Kennisgeving en bereidverklaring 5

Hoofdstuk V Relatie met andere wetgeving 5

Hoofdstuk VI Slotbepalingen 5

Algemene toelichting 6

Hoofdstuk I Algemeen

Beleidsregel Wet taaleis 2016 DDFK+S

Gelet op artikel 18b Participatiewet;

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      College: het college van burgemeester en wethouders;

    • b.

      Uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet;

    • c.

      Participatiewet: de Participatiewet met inbegrip van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz);

    • d.

      Wet taaleis: de wet tot wijziging van de PW teneinde de eis tot beheersing van de Nederlandse taal toe te voegen aan die wet (Wet taaleis PW);

    • e.

      Besluit taaltoets: het ‘Besluit taaltoets Participatiewet’;

    • f.

      Referentieniveau: het fundamentele niveau (1F-niveau) taal en rekenen volgens de richtlijnen van de Rijksoverheid;

    • g.

      Wet educatie: de wet van 9 juli 2014 tot wijziging van onder meer de Wet participatiebudget en de Wet educatie en beroepsonderwijs betreffende het invoeren van een specifieke uitkering educatie en het vervallen van de verplichte besteding van educatiemiddelen bij regionale opleidingencentra;

    • h.

      Inburgering: de Wet inburgering;

    • i.

      Leerbaar: voldoende cognitief vermogen om onderwijs te volgen;

    • j.

      Ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid; ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid bij de uitkeringsgerechtigde ten aanzien van het in onvoldoende mate beheersen van de Nederlandse taal, als bedoeld in artikel 18 b zesde lid onder b PW.

Artikel 2. Toepassing

  • 1.

    Deze beleidsregel is van toepassing op personen die algemene bijstand aanvragen vanaf 1 januari 2016;

  • 2.

    Deze beleidsregel is van toepassing op personen die op 31 december 2015 recht hebben op algemene bijstand en op personen van wie op 31 december 2015 een aanvraag voor algemene bijstand in behandeling is op basis waarvan vervolgens door het college algemene bijstand is toegekend.

Hoofdstuk II Kennis van de Nederlandse taal

Artikel 3. Overleggen van een verklaring waaruit blijkt dat de belanghebbende die een aanvraag algemene bijstand indient, de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst.

De persoon die een aanvraag algemene bijstand indient, dient bij de aanvraag een verklaring als bedoeld hieronder onder a, b, en/of c aan het college te overleggen, waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst:

  • a.

    een eigen verklaring dat hij in de periode vanaf het 5e tot en met het 16e levensjaar gedurende tenminste acht jaar in Nederland woonplaats had (in de zin van artikel 10 van boek I van het Burgerlijk Wetboek);

  • b.

    een eigen verklaring dat hij over een diploma Inburgering als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a van de Wet Inburgering beschikt;

  • c.

    een eigen verklaring dat hij over enig document beschikt, waaruit blijkt dat de uitkeringsgerechtigde de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst.

Hoofdstuk III De taaltoets

Artikel 4. Taaltoets

De taaltoets wordt uitgevoerd door een nog nader te bepalen instelling (afhankelijk van lopende aanbesteding educatie (WEB).

Artikel 5. Afnemen van de taaltoets

  • 1.

    Indien de persoon als bedoeld in artikel 2 lid 1 niet één van de in artikel 2 bedoelde verklaringen aan het college overlegt bij de aanvraag, neemt het college bij hem binnen acht weken na de datum van het besluit tot toekenning van de bijstand een taaltoets af.

  • 2.

    Er is sprake van een taaltoets waarvan de verschillende toets onderdelen in overeenstemming zijn met de toets onderdelen als genoemd in artikel 18 b achtste lid PW.

  • 3.

    Er vindt een beoordeling plaats aan de hand van een objectieve beoordeling behorende bij het betreffende toetsingssysteem.

  • 4.

    Géén taaltoets wordt afgenomen bij de bijstandsgerechtigde bij wie, indien jegens hem naar het oordeel van het college het redelijk vermoeden bestaat dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 5.

    Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt:

    • a.

      bij de bijstandsgerechtigde:

      • i.

        die eerder een inburgeringsontheffing heeft gekregen; of

      • ii.

        die duurzaam volledig arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 WIA en op die grond een duurzame ontheffing heeft gekregen als bedoeld in artikel 9 lid 5 PW voor de verplichting tot het zoeken naar betaalde arbeid, deelname aan re-integratie en participatie en het verrichten van een tegenprestatie heeft; of

      • iii.

        van wie naar het oordeel van het college om persoonlijke redenen duurzaam niet verlangd kan worden dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst of zal beheersen, onder meer indien hij door het college om medische en/of psychosociale redenen niet leerbaar wordt geacht en/of een onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt heeft.

    • b.

      bij de bijstandsgerechtigde indien en/of zolang:

      • i.

        hij op grond van een tijdelijk volledige arbeidsongeschiktheid een tijdelijke ontheffing om dringende redenen als bedoeld in artikel 9 lid 2 PW heeft gekregen voor de verplichting tot het zoeken naar betaalde arbeid en tot het verrichten van een tegenprestatie; of

      • ii.

        van hem naar het oordeel van het college om persoonlijke redenen niet verlangd kan worden dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst of zal beheersen, onder meer indien hij door het college om medische en/of psychosociale redenen niet leerbaar wordt geacht en/of een onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt heeft;

  • 6.

    Het college neemt geen taaltoets af bij de bijstandsgerechtigde, indien en zolang hij gebruik maakt van een door het college in het kader van artikel 9 lid 1 onder b PW aangeboden voorziening, gericht op zijn arbeidsinschakeling, met als doel binnen achttien maanden na zijn bijstandsaanvraag betaalde arbeid te verkrijgen.

  • 7.

    Het college legt de bijstandsgerechtigde bij wie elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, geen verplichting op om de Nederlandse taal te verwerven.

Hoofdstuk IV Kennisgeving en bereidverklaring

Artikel 6. Kennisgeving van het redelijk vermoeden dat de bijstandsgerechtigde in onvoldoende mate de Nederlandse taal beheerst

Het college stelt de bijstandsgerechtigde binnen acht weken na uitkomst van de toets schriftelijk in kennis van deze uitkomst, zijnde:

  • a.

    een redelijk vermoeden, dat de bijstandsgerechtigde de vaardigheden van de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst, of

  • b.

    de vaststelling dat de bijstandsgerechtigde de vaardigheden in de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst.

Artikel 7. Bereidverklaring tot het aanvangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal

  • 1.

    Indien voor het college uit de uitkomst van de taaltoets het redelijk vermoeden blijkt dat de bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst, en er geen sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, verzoekt het college de bijstandsgerechtigde om zich binnen één kalendermaand na de kennisgeving als bedoeld in artikel 6 bereid te verklaren om aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal;

  • 2.

    Het college legt de bereidverklaring als bedoelt in het eerste lid, schriftelijk vast tijdens een contactmoment met de bijstandsgerechtigde, dat plaatsvindt binnen een termijn van 8 weken na de uitkomst van de taaltoets. Tijdens dit gesprek wordt gezamenlijk gekeken welke vorm van taalondersteuning zal worden ingezet (maatwerk);

  • 3.

    indien de bijstandsgerechtigde akkoord gaat met het taaltraject tekent hij de trajectovereenkomst. Dit is de bereidverklaring om te starten met het taaltraject;

  • 4.

    indien de bijstandsgerechtigde niet akkoord gaat met het taaltraject, het verwerven van de vaardigheden van de Nederlandse taal, legt het college hem een maatregel op als bedoeld in artikel 18b negende lid van de PW;

  • 5.

    indien de bijstandsgerechtigde, die zich conform het derde lid bereid heeft verklaard aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal, in een volgend contactmoment niet kan aantonen dat hij hiertoe voldoende inspanningen heeft verricht, legt het college hem een maatregel op als bedoeld in artikel 18b tiende lid.

Hoofdstuk V Relatie met andere wetgeving

Artikel 8. Relatie met Wet inburgering

Wanneer de uitkeringsgerechtigde begonnen is met een leertraject in het kader van de Wet inburgering, kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van de kant van de uitkeringsgerechtigde, zoals bedoeld is in de Wet taaleis.

Artikel 9. Relatie met de Wet educatie

Wanneer de uitkeringsgerechtigde al actief bezig is met een taaltraject in het kader van de Wet educatie beroepsopleidingen (WEB) of een ander Nederlands taaltraject, kan dit aangemerkt worden als ‘voldoende inspanning’ , zoals bedoeld is in de Wet taaleis.

Hoofdstuk VI Slotbepalingen

Artikel 10. Situaties waarin de beleidsregel niet voorziet

In situaties die vallen onder discretionaire bevoegdheid van het college, waarin deze beleidsregel niet voorziet, beslist het college.

Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregel Taaleis 2016 DDFK+S ”.

  • 2.

    De beleidsregel treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 januari 2016

Algemene toelichting

Per januari 2016 is de Participatiewet (PW) uitgebreid met de taaleis, de Wet taaleis van 20 maart 2015. Artikel 18 b wordt toegevoegd aan de PW.

Deze uitbreiding van de PW houdt in dat met ingang van 1 januari 2016 alle aanvragers van een uitkering PW moeten kunnen aantonen dat hij/zij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst, te weten op 1F niveau. Dit niveau komt overeen met het eindniveau van groep 8 van het basisonderwijs.

Vanaf 1 juli 2016 geldt de taaleis ook voor het zittend bestand uitkeringsgerechtigden PW.

De taaleis is een afspraak in het coalitieakkoord van het kabinet Rutte II in het kader van “Bruggen slaan” en heeft tot doel de uitstroom uit de bijstand te bevorderen. Met de Wet taaleis (WT) krijgen gemeenten de verplichting om van bijstandsgerechtigden te verlangen dat zij actief werken aan hun taalvaardigheid.

Artikel 18 b van de PW regelt dat de aanvraag voor algemene bijstand met ingang van 1 januari 2016 wordt aangevuld met de verplichting om door middel van het overleggen van documenten aan te tonen dat men de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst. Overlegt men een dergelijk document niet, wordt een taaltoets afgenomen. Slaagt men voor deze toets, dan is het vereiste niveau aangetoond. Slaagt men niet voor deze toets dan wordt de uitkeringsgerechtigde verplicht om aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal.

Als de bijstandsgerechtigde zich niet bereid verklaart de Nederlandse taal te leren, legt het college hem een maatregel op conform artikel 18 b lid 1 PW.

Uitgezonderd van de maatregel en van de verplichting om de Nederlandse taal te leren is de uitkeringsgerechtigde bij wie elke verwijtbaarheid ontbreekt.

In deze beleidsregel wordt de taaleis nader uitgewerkt. Onder meer wordt daarin geregeld op welke wijze de aanvrager van algemene bijstand kan aantonen dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst, binnen welke termijn en op welke wijze de taaltoets bij de belanghebbende wordt afgenomen en binnen welke termijn het college aan belanghebbende aangeeft op welke wijze hij de Nederlandse taal moet leren.

Daarnaast wordt in deze beleidsregel aangegeven in welke situaties de bijstandsgerechtigde geen taaltoets hoeft af te leggen, namelijk in geval het van te voren vaststaat of aannemelijk is dat belanghebbende elke vorm van verwijtbaarheid ten aanzien van het beheersen van de Nederlandse taal ontbreekt. Dit kunnen ondermeer persoonlijke omstandigheden zijn, maar ook een onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt. In deze situaties zal het college geen kwalificeerbare inspanning ten aanzien van het leren van de Nederlandse taal verlangen van de belanghebbende.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel bevat de begripsbepalingen die op deze beleidsregel van toepassing zijn.

Artikel 2. Toepassing

Artikel 18b van de PW (taaleis) treedt per 1 januari 2016 in werking. Dat betekent dat het college voor degene die vanaf 1 januari 2016 een bijstandsaanvraag indient, maar geen documenten kan overleggen waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst, een taaltoets afneemt.(artikel 18b lid 2). Voor degenen die per 31 december 2015 al bijstandsgerechtigd zijn, geldt een overgangsperiode van 6 maanden. Voor hen geldt de taaleis pas vanaf 1 juli 2016.

In artikel 18b lid 2 van de PW is opgenomen dat het college een taaltoets afneemt binnen een door het college bepaalde termijn van ten hoogste 8 weken als de belanghebbende;

  • a.

    niet gedurende 8 jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd;

  • b.

    geen diploma Inburgering als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a van de Wet inburgering heeft;

  • c.

    geen ander document kan overleggen, waaruit blijkt dat de belanghebbende de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst.

Indien belanghebbende aantoont dat er geen sprake is van omstandigheden als bedoeld onder a,b en c, hoeft hij geen taaltoets af te leggen.

Artikel 3. Overleggen van een verklaring waaruit blijkt dat de belanghebbende die een aanvraag voor een bijstandsuitkering indient, de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst.

Het college veronderstelt dat de belanghebbende in elk geval gedurende 8 jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd, als hij gedurende ten minste 8 jaren van de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft gewoond. Daarbij is het woonplaatsbeginsel van artikel 10 van Boek I van het burgerlijk wetboek leidend “de woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner woonstee, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf”. Dit is ook het artikel dat de PW hanteert als woonplaatsbeginsel (artikel 40). Het college verzoekt de belanghebbende om te verklaren dat hij gedurende 8 jaren van de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft gewoond.

Het college verzoekt de belanghebbende te verklaren dat hij over een diploma Inburgering of over een ander document beschikt, waaruit zijn vaardigheden blijken.

Let op: hoewel uit bestanden van DUO of uit SUWI-net informatie zou kunnen worden verkregen over het hebben gevolgd van Nederlandstalig onderwijs, is het op dit moment wettelijk nog niet toegestaan om op basis van de Wet Taaleis deze gegevens op te halen.

Overgangsrecht

Op de persoon die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet recht op algemene bijstand heeft, is gedurende een periode van zes maanden na die datum artikel 18b, of artikel 47c, tweede lid, derde en vierde zin, van de PW, niet van toepassing.

G.Niet is geregeld wanneer het college aan deze bijstandsgerechtigden vraagt of zij de Nederlandse taal beheersen. In de beleidsregel wordt er voor gekozen om met het opvragen van een verklaring al vóór 1 juli 2016 te beginnen. Het opvragen van een verklaring kan gelijktijdig worden meegenomen tijdens geplande (her)onderzoeken of andere individuele contacten met de uitkeringsgerechtigde of kunnen schriftelijk worden opgevraagd.

Artikel 4. Taaltoets

Spreekt voor zich.

Artikel 5. Afnemen van de taaltoets

In artikel 18b, lid 2 van de PW is opgenomen dat het college een taaltoets afneemt binnen een door het college bepaalde termijn van ten hoogste 8 weken. Er is niet aangegeven vanaf welk moment die 8 weken gelden. Er is voor gekozen om de taaltoets af te nemen binnen 8 acht weken na de datum van een besluit tot toekenning van de bijstand. Er wordt dus geen taaltoets afgenomen voordat een besluit/toekenning op de aanvraag is genomen.

G.In artikel 18b lid 5 PW is opgenomen dat de belanghebbende op elk moment via het overleggen van een document aan het college kan aantonen dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst. Dit betekent dat als de belanghebbende in elk geval vóór de toets alsnog een document of verklaring als bedoeld in artikel 3 overlegt, de taaltoets achterwege kan blijven.

Artikel 5 sub 5 en 6; In artikel 18b, lid 6 onder b PW is bepaald dat er geen maatregel wordt opgelegd bij het blijkens de taaltoets onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal, als bij belanghebbende elke vorm van verwijtbaarheid (van het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal) ontbreekt. Indien van te voren vaststaat of zeer aannemelijk is dat ten aanzien van de belanghebbende door het college wordt geoordeeld dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, is het niet zinvol om een toets af te nemen.

(Eerste Kamer 2014-2015, 33 975 b, blz 6, Programmaraad samenvoordeklant.nl pag. 9)

Artikel 5 sub 6 a; In deze bepaling zijn de criteria opgenomen, waarbij het college uitgaat van het permanent ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid bij de belanghebbende, mocht hij de Nederlandse taal onvoldoende beheersen. De criteria onder 1 en 2 zijn ook als voorbeeld genoemd in de parlementaire behandeling.

Criterium onder 3 doelt op mogelijke persoonlijke redenen waarom déze persoon duurzaam niet in staat kan worden geacht de Nederlandse taal voldoende te beheersen. Een belangrijk sub criterium is, dat de belanghebbende volgens het college niet in staat is om te gaan leren, om uiteenlopende medische of psychologische redenen. Onder meer geldt dit voor personen met een verstandelijke beperking of dyslexie, zoals genoemd in de Memorie van Toelichting op de Wet Taaleis, maar ook bij ernstige andere fysieke of psychische aandoeningen. Daarnaast kunnen er andere persoonlijke omstandigheden zijn, waardoor belanghebbende niet in staat wordt geacht de Nederlandse taal voldoende te beheersen. Ook een onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt, dat wil zeggen dat de belanghebbende naar verwachting niet naar betaalde arbeid kan re-integreren. Ook niet via een participatietraject, is een reden om niet van de belanghebbende te eisen dat hij de Nederlandse taal leert. Dit zijn slechts enkele belangrijke voorbeelden. Deze opsomming is dus niet uitputtend.

Overigens gaat de wet bij de taaltoets en het opleggen van de taalverplichting uit van de theoretische leerbaarheid. Er zijn mensen die theoretisch niet leerbaar zijn, maar wel praktisch leerbaar zijn. In de praktijk kan hiermee rekening worden gehouden door onder meer het leren van taal in de praktijk, door het inzetten van een vrijwilliger als taalmaatje of het leren van taal op de werkvloer.

Sub 6 b; In deze bepaling zijn de criteria opgenomen, waarbij het college uitgaat van het tijdelijk ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid bij de belanghebbende, mocht hij de Nederlandse taal onvoldoende beheersen.

Zittend bestand

De taaltoets wordt afgenomen bij bijstandsgerechtigden die niet binnen acht weken, na een verzoek hiertoe van het college, een verklaring overleggen aan het college als bedoeld in artikel 3. Niet in de wet is geregeld wanneer de taaltoets moet worden afgenomen. De taaltoets wordt alleen afgenomen bij bijstandsgerechtigden die geen verklaring omtrent het voldoende beheersen van de Nederlandse taal kunnen overleggen.

Let op:

In het overgangsrecht van de WT is geregeld dat de taaltoets bij degenen die op 31 december 2015 bijstandsgerechtigd zijn, niet vóór 1 juli 2016 wordt afgenomen (artikel II WT). De wetgever heeft aangegeven dat in het eerste half jaar van 2016 het zittend bestand niet kan worden verplicht om medewerking te verlenen aan het verzoek een toets af te nemen om de taalvaardigheid te onderzoeken. Dit is vóór 1 juli op vrijwillige basis.

Artikel 6. Kennisgeving van het redelijk vermoeden dat de bijstandsgerechtigde inonvoldoende mate de Nederlandse taal beheerst

In artikel 18b lid 4 van de PW is opgenomen dat het college binnen een door het college bepaalde termijn van ten hoogste 8 weken de uitkeringsgerechtigde in kennis stelt van het redelijke vermoeden dat hij de Nederlandse taal niet in voldoende mate beheerst. In de beleidsregel is gekozen voor de maximale termijn: ten hoogste 8 weken na de uitkomst van de taaltoets, stelt het college de belanghebbende schriftelijk in kennis van die uitslag. Dit gebeurt niet alleen als uit de toets blijkt dat de belanghebbende de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, maar ook als blijkt dat hij deze voldoende beheerst.

Artikel 7. Bereidverklaring tot het aanvangen met het verwerven van de vaardigheden in de

Nederlandse taal

Conform artikel 18b lid 6 onder a PW wordt de uitkeringsgerechtigde geen maatregel als bedoeld in artikel 18b lid 1 PW opgelegd, als hij zich bereid verklaart om aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal.

Artikel 18b lid 4 PW, “Belanghebbende wordt na de uitkomst van de toets, bedoeld in het tweede lid, waaruit blijkt dat hij niet, of niet in voldoende mate de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst, binnen een door het college te bepalen termijn die ten hoogste acht weken bedraagt, door het college schriftelijk in kennis gesteld van het redelijk vermoeden, bedoeld in het eerste lid. De verlaging van bijstand vindt plaats vanaf het moment dat die schriftelijke kennisgeving plaatsvindt”.

Artikel 18b lid 6, onderdeel a PW, “belanghebbende zich bereid verklaart binnen een termijn van een maand nadat het college belanghebbende in kennis heeft gesteld van het bestaan van dat vermoeden aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal en na die aanvang voldoet aan de voortgang die van hem verwacht mag worden bij het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal.*

* De kennisgeving is voor wat betreft de verlaging een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

Bij de kennisgeving moet van een verlaging worden afgezien, als:

• belanghebbende zich bereid heeft verklaard taalonderwijs te volgen binnen 4 weken (artikel 18b, lid 6 PW);

• elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt (artikel 18b lid 6, aanhef en onderdeel a van de PW).

In het contactmoment zoals bedoelt in artikel 7 sub 2 van deze beleidsregel maakt het college afspraken met belanghebbende over de wijze waarop de belanghebbende de vaardigheden in de Nederlandse taal moet verwerven, bijvoorbeeld doordat belanghebbende zelf activiteiten onderneemt om de Nederlandse taal te leren of doordat het college hem een taalcursus aanbiedt. De afspraken die het college met de bijstandsgerechtigde maakt over de wijze van het leren van de Nederlandse taal worden ingebed in de afspraken in het kader van zijn arbeidsinschakeling (dan wel re-integratie of participatie) als bedoelt in artikel 17 lid 2 PW. Het college maakt de afspraken op maat, dat wil zeggen stemt kennis, kunde en doelstelling van het traject af op de belanghebbende.

Sub 4; Indien de belanghebbende zich niet binnen één maand na de kennisgeving bereid verklaart om de Nederlandse taal te leren, volgt er een maatregel conform artikel 18b lid 1 PW.

Sub 5; Indien de belanghebbende zich wel bereid heeft verklaard om de Nederlandse taal te leren, maar er blijk van geeft zich onvoldoende te hebben ingespannen hiertoe, legt het college een maatregel op, op grond van het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen van de PW, te weten; artikel 18b tiende lid.

Artikel 8. Relatie met Wet inburgering

Voor inburgeringsplichtigen op grond van de Wet inburgering (Wi) geldt dat zij al een verplichting hebben om de Nederlandse taal machtig te worden. Op grond van de Wi heeft de inburgeraar 3 tot 5 jaar de tijd om te voldoen aan het in die wet vereiste taalniveau A2. Wanneer een belanghebbende begonnen is met een leertraject in het kader van de Wi, kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van de belanghebbende, zoals bedoeld is in de WT. De belanghebbende krijgt dus niet met twee verschillende trajecten te maken. Wel dient de gemeente te monitoren in welke mate voortgang wordt gemaakt met het inburgeringstraject. Desgevraagd moet de belanghebbende het volgen van een dergelijk traject aantonen aan de hand van documenten. Dat geldt ook voor het meten van de voortgang. Bij het niet/ niet willen verstrekken van een bewijs dat men de inburgering volgt of voortgang maakt, kan er een verplichting ontstaan om wel een toets af te leggen in het kader van de WT.

Artikel 9. Relatie met de Wet educatie

Spreekt voor zich

Artikel 10. Situaties waarin de beleidsregel niet voorziet

Het college besluit in die gevallen waarin deze beleidsregel niet voorziet.

Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel

Spreekt voor zich